accountantstucht, permanente educatie, berisping, boete
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 11/578 27 februari 2013
20150 Wet tuchtrechtspraak accountants
Uitspraak op het hoger beroep van:
A, te X, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 17 juni 2011, met nummer 11/171 Wtra AK.
1. Het procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft bij brief van 21 juli 2011, bij het College binnengekomen op 26 juli 2011, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 26 januari 2011 door de voorzitter van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA, hierna ook: klager), ingediend tegen appellant.
De accountantskamer heeft bij brief van 1 augustus 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.
Bij brief van 14 september 2011 heeft appellant de gronden van het hoger beroep ingediend.
Bij brief van 3 oktober 2011 heeft klager een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Op 28 augustus 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen. Namens klager is verschenen mr. Th.V.E. Bouma, advocaat te Amsterdam.
2. De uitspraak van de accountantskamer
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel van berisping opgelegd en een geldboete ten bedrage van € 6.000,-.
Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.
3. De beoordeling van het hoger beroep
3.1 Ingevolge de Nadere voorschriften permanente educatie (hierna: NVPE) dienen de (actieve) leden van het NIVRA per drie aaneengesloten kalenderjaren minimaal
120 permanente educatie (PE)-punten én per kalenderjaar minimaal 20 PE-punten te behalen.
3.2 De klacht die is ingediend tegen appellant, zoals deze is weergegeven door de accountantskamer en door appellant niet wordt bestreden, houdt in dat appellant:
a. géén, althans minder dan 120 PE-punten heeft behaald in de driejaarscyclus 2007-2009 en, voor zover alsnog mocht blijken dat hij wel PE-punten heeft behaald ten aanzien van de kalenderjaren 2007, 2008 en 2009 en de driejaarscyclus 2007-2009, hij niet heeft voldaan aan zijn registratieverplichting;
b. in het geheel niet heeft gereageerd op herhaalde aanmaningen van het NIVRA inzake de op de betrokkene rustende PE-verplichtingen voor de driejaarscyclus 2007-2009.
3.3 In reactie op de klacht heeft appellant bij brief van 1 februari 2011 aan klager verzocht uitgeschreven te worden uit het register, bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants.
Klager heeft bij brief van 9 februari 2011 aan de accountantskamer medegedeeld dat de uitschrijving uit het register voor hem geen aanleiding vormt om de klacht tegen appellant in te trekken.
Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen op de zitting bij de accountantskamer.
3.4 In het hoger beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat de boete ‘onbehoorlijk en grievend’ is. Hij stelt dat hij zich in de betreffende periode niet heeft beziggehouden met het accountantsvak en binnen zijn werkkring geen noodzaak heeft om zich te presenteren als (register-)accountant in business. Volgens appellant kan op geen enkele manier worden hardgemaakt dat hij het accountantsberoep in verlegenheid dan wel in diskrediet heeft gebracht. Appellant is van mening dat hij - door zich te laten uitschrijven - indirect al de zwaarst mogelijke straf heeft gekregen. Een geldboete acht hij overbodig.
Appellant heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in de periode 2007-2009 wel PE punten heeft behaald maar dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden niet heeft gereageerd op de brieven van het NIVRA.
3.5 In de reactie op het hoger beroepschrift heeft klager aangevoerd dat de uitschrijving uit
het register niet afdoet aan het feit dat appellant in de periode 2007 tot en met 2009 niet aan zijn PE-verplichtingen heeft voldaan. De stelling van appellant dat hij zich niet met het accountantsvak heeft bezig gehouden miskent volgens klager dat hij door zijn inschrijving in het register in combinatie met zijn werkzaamheden accountant in business was en als zodanig in strijd met de VGC en de Wet RA heeft gehandeld.
Ter zitting heeft klager zich op het standpunt gesteld dat als appellant de gestelde behaalde PE punten nader kan specificeren en aan het NIVRA daaromtrent gegevens kan toesturen, het NIVRA bereid is alsnog te beoordelen of appellant heeft voldaan aan de PE-verplichtingen.
3.6 Appellant heeft zich ter zitting bereid verklaard alsnog een specificatie te geven van de door hem in het kader van de permanente educatie verrichte activiteiten. Het College heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst. Partijen hebben verklaard geen behoefte te hebben aan een nadere zitting
3.7 Bij brief van 26 september 2012 heeft klager het College medegedeeld dat appellant op 18 september 2012 het NIVRA een nadere specificatie heeft toegezonden van de door hem in de periode 2007-2009 behaalde PE-punten, en een kopie van deze specificatie overgelegd. Naar het oordeel van het NIVRA heeft appellant voldoende PE-punten behaald over de periode 2007 tot en met 2009.
3.8 Het College is, gelet op de door appellant in hoger beroep alsnog overgelegde gegevens en in aanmerking genomen het standpunt van de voorzitter van het NIVRA daaromtrent, van oordeel dat appellant in de periode van 2007 tot en met 2009 aan zijn PE-verplichtingen heeft voldaan. De uitspraak van de accountantskamer kan om die reden niet in stand blijven.
3.9 Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de accountantskamer dient te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants, in samenhang met artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, de zaak zelf afdoen.
3.10 In aanmerking nemende dat het NIVRA belang heeft bij een juiste informatieverschaffing door de registeraccountants omtrent de behaalde PE-punten is het College van oordeel dat klachtonderdeel a, voor zover dit betrekking heeft op het niet voldoen aan de registratieverplichting, en klachtonderdeel b, gegrond dienen te worden verklaard.
Het College acht het opleggen van de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden.
3.11 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.
4. De beslissing
Het College
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak;
- verklaart klachtonderdeel a, voor zover dit betrekking heeft op het niet behalen van het vereiste aantal PE-punten,
ongegrond;
- verklaart de klacht voor het overige gegrond;
- legt appellant de maatregel op van waarschuwing.
Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. P.M. van der Zanden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013.
w.g. W.A.J. van Lierop w.g. M.A. Voskamp