ECLI:NL:CBB:2013:BZ8271
public
2015-11-12T15:42:30
2013-06-22
Raad voor de Rechtspraak
BZ8271
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-03-18
AWB 11/597
Eerste aanleg - meervoudig
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2013:BZ8271
public
2013-06-22T17:08:23
2013-04-23
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2013:BZ8271 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 18-03-2013 / AWB 11/597

accountantstucht, permanente educatie, toepassingsbereik voorschriften

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 11/597 18 maart 2013

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 17 juni 2011, met nummer 11/176 Wtra AK.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 27 juli 2011, bij het College binnengekomen op 28 juli 2011, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 26 januari 2011 door de voorzitter van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA, hierna ook: klager), ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 30 augustus 2011 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 23 september 2011 heeft klager een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 18 september 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen. Namens klager is verschenen mr. A. Sukkel.

2. De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en appellant de maatregel van berisping opgelegd en een geldboete ten bedrage van € 6.000,-.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Ingevolge de Nadere voorschriften permanente educatie (hierna: NVPE) dienen de (actieve) leden van het NIVRA per drie aaneengesloten kalenderjaren minimaal 120 permanente educatie (PE)-punten én per kalenderjaar minimaal 20 PE-punten te behalen.

De nadere voorschriften zijn ingevolge artikel 2, tweede lid, onder c, NVPE niet van toepassing op de accountant in business in de zin van de Verordening gedragscode die minder dan tweehonderd uur per kalenderjaar activiteiten verricht ten behoeve waarvan de deskundigheid van de registeraccountant wordt of zou kunnen worden aangewend.

3.2 De klacht die is ingediend tegen appellant, zoals deze is weergegeven door de accountantskamer en door appellant niet wordt bestreden, houdt in dat appellant:

a. géén, althans minder dan 120 PE-punten heeft behaald in de driejaarscyclus 2007-2009 en, voor zover alsnog mocht blijken dat hij wel PE-punten heeft behaald ten aanzien van de kalenderjaren 2007, 2008 en 2009 en de driejaarscyclus 2007-2009, hij niet heeft voldaan aan zijn registratieverplichting;

b. in het geheel niet heeft gereageerd op herhaalde aanmaningen van het NIVRA inzake de op de betrokkene rustende PE-verplichtingen voor de driejaarscyclus 2007-2009.

Appellant heeft niet gereageerd op de tegen hem ingediende klacht en is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen op de zitting bij de accountantskamer.

3.3 In het hoger beroepschrift stelt appellant dat hij vanaf 1 april 2006 geen reguliere werkzaamheden meer heeft verricht, noch als accountant noch als belastingadviseur, en dat hij zich heeft beziggehouden met kleinschalige landbouw. Appellant voert aan dat hij ingeschreven is gebleven bij het NIVRA en steeds ten volle contributie heeft betaald en dat hij heeft verzuimd zijn inschrijving te wijzigen in ‘leden zonder functie’. Hij bestrijdt niet dat hij formeel onjuist heeft gehandeld maar is van mening dat de opgelegde geldboete buiten proportie is.

3.4 In de reactie op het hoger beroepschrift heeft klager aangevoerd dat pas via het beroepschrift kennis is genomen van de activiteiten van appellant na 1 april 2006. Indien NIVRA op de hoogte was geweest van de door appellant genoemde feiten en omstandigheden had hij na het inwinnen van nadere informatie mogelijk geen tuchtklacht ingediend dan wel had hij deze mogelijk alsnog ingetrokken. Volgens het NIVRA is het voorstelbaar dat voor de activiteiten van appellant in de driejaarscyclus 2007 tot en met 2009 minder dan 200 uur per kalenderjaar de deskundigheid van een registeraccountant wordt of zou kunnen worden aangewend en viel appellant mogelijk niet onder het toepassingsbereik van de NVPE.

3.5 Het College is, gelet op hetgeen door appellant ter zitting is verklaard omtrent de omvang van zijn werkzaamheden en in aanmerking genomen het standpunt van de voorzitter van het NIVRA daaromtrent, van oordeel dat aangenomen moet worden dat appellant na 1 april 2006 minder dan 200 uur per kalenderjaar activiteiten heeft verricht ten behoeve waarvan de deskundigheid van een registeraccountant wordt of zou kunnen worden aangewend. Appellant is dan uitgezonderd van het toepassingsbereik van de NVPE en hem kan derhalve niet worden verweten dat hij in de periode van 2007 tot en met 2009 niet aan zijn PE-verplichtingen heeft voldaan. De uitspraak van de accountantskamer kan om die reden niet in stand blijven.

3.6 Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de accountantskamer dient te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants, in samenhang met artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004, de zaak zelf afdoen.

3.7 In aanmerking nemende dat het NIVRA ter zitting heeft verklaard dat indien zou worden aangenomen dat appellant niet onder het toepassingsbereik van de NVPE viel, hem geen verwijt meer wordt gemaakt van het niet reageren, is het College van oordeel dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard.

3.8 Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak;

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M.M. Smorenburg en mr. P.M. van der Zanden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2013.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. M.A. Voskamp