ECLI:NL:CBB:2013:BZ8464
public
2015-11-12T15:59:08
2013-06-22
Raad voor de Rechtspraak
BZ8464
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2013-03-28
AWB 09/1277
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2013:BZ8464
public
2013-06-22T17:08:59
2013-04-24
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2013:BZ8464 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 28-03-2013 / AWB 09/1277

ontbonden buitenlandse onderneming, ambtshalve uitschrijving in handelsregister

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1277 28 maart 2013

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken NoordWest-Holland, verweerster,

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 29 september 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweer[der/ster] van 25 september 2009.

Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 augustus 2009, tot ambtshalve uitschrijving van C in het handelsregister, ongegrond verklaard.

Bij brief van 16 oktober 2009 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 15 februari 2010 heeft verweerster een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 13 september 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen – hoewel daartoe deugdelijk te zijn opgeroepen – niet zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In het handelsregister stond ingeschreven als buitenlandse vennootschap C, met als onderneming: D. Appellant stond als enig bestuurder van deze vennootschap ingeschreven.

- Bij brief van 9 maart 2009 heeft verweerster appellant verzocht informatie te verstrekken over de onderneming D, nu uit onderzoek was gebleken dat C al geruime tijd, sedert 15 juni 1999, was ontbonden.

- In een telefonisch onderhoud tussen partijen op 27 april 2009 is afgesproken dat appellant naar het kantoor van verweerster zou komen om de uitschrijving van C te bespreken. Hieraan heeft appellant geen gevolg gegeven.

- Nu van de zijde van appellant geen nadere reactie is gekomen heeft verweerster bij besluit van 31 augustus 2009 de beëindiging van de registratie van C ingeschreven in het handelsregister.

- Hiertegen heeft appellant bij brief van 9 september 2009 bezwaar gemaakt en aangevoerd dat het betreffende bedrijf ingeschreven moet blijven.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard.

2.2 Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerster hem te kennen heeft gegeven dat de uitschrijving van C in het handelsregister - wegens de ontbinding van die vennootschap in het Verenigd Koninkrijk -, erin zou resulteren dat de inschrijving van de onderneming D zou worden voortgezet als eenmanszaak op naam van appellant. Appellant wenst verweerster hieraan te houden.

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat als appellant de onderneming als eenmanszaak had willen voortzetten hij voor deze aanpassing zelf opgave had behoren te doen.

2.3 Het College stelt voorop dat appellant niet heeft betwist dat de buitenlandse vennootschap C is ontbonden. Evenmin heeft hij betwist dat verweerster hierin op goede gronden aanleiding heeft gezien de inschrijving van C in het handelsregister met toepassing van de artikelen 38, eerste lid, juncto 34, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007 (hierna: Hrw 2007) te beëindigen. Zodanige beëindiging brengt voorts - in beginsel - met zich dat ook de aan de vennootschap verbonden onderneming D niet langer is ingeschreven.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerster de inschrijving van de onderneming D had moeten voortzetten als eenmanszaak op naam van appellant.

Met verweerster is het College evenwel van oordeel dat, indien appellant de inschrijving van D in Nederland wenste voort te zetten als een eenmanszaak hij hiertoe opgave had behoren te doen. Gelet op het systeem van de Hrw 2007, zoals onder meer blijkend uit de in artikel 18 van die wet opgenomen verplichting tot het doen van opgaven van wijzigingen ter inschrijving in het handelsregister, kan geen sprake zijn van een automatische omzetting. Appellant had de voortzetting van de inmiddels opgeheven C in een eenmanszaak moeten opgeven op de daartoe de voorgeschreven wijze. Ingevolge artikel 20, tweede lid, Hrw 2007 had deze opgave uiterlijk binnen één week na de wijziging moeten worden gedaan. Appellant heeft dit nagelaten zodat verweerster terecht geen aanleiding heeft gezien de inschrijving van de onderneming D voort te zetten als eenmanszaak op naam van appellant.

Het College heeft overigens geen aanknopingspunt gevonden voor de juistheid van de, door verweerster betwiste, stelling van appellant dat hem vanwege verweerster - ten onrechte - te kennen zou zijn gegeven dat wel degelijk een automatische omzetting zou kunnen plaatsvinden.

2.4 Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat verweerster de beëindiging van de inschrijving van C in het handelsregister, met daaraan verbonden de uitschrijving van de daaraan verbonden onderneming D, bij het bestreden besluit ten onrechte heeft gehandhaafd.

2.5 Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2013.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. L.C. Bannink