Het aangaan van een convenant door staatssecretaris geen besluit in de zin van 1:3 Awb nu dit convenant een inspanningsverplichting voor de staatssecretaris behelst om het dierenwelzijn te verbeteren ten aanzien van ritueel slachten. Het aangaan van het convenant niet gericht op rechtsgevolg en de rechtspositie van appellant is hiermee niet gewijzigd.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 12/948 22 maart 2013
11200 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellante,
gemachtigde: prof. mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam,
tegen
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,
gemachtigde: mr. C.A.H.J. Anthonissen, werkzaam bij verweerders ministerie.
1. Het procesverloop
Appellante heeft bij brief van 22 augustus 2012, ontvangen op dezelfde datum, bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 augustus 2012.
Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante van 26 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 17 september 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift doorgezonden aan het College.
Bij brief van 16 november 2012 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 8 februari 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van verweerder zijn voorts verschenen mr. A.B.M. van de Made en drs. P.L.F. Bours, beide werkzaam bij verweerders ministerie.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Ter beoordeling staat of verweerder in het bestreden besluit het bezwaarschrift van appellante van 26 juni 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het College overweegt als volgt.
2.2 Op 5 juni 2012 heeft verweerder het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten (hierna: Convenant) ondertekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder tot het aangaan van dit Convenant. Dit bezwaar is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard nu er geen appellabel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan het aangaan van het Convenant ten grondslag heeft gelegen. Appellante is van mening dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat een overheidsbesluit tot het aangaan van een convenant wel degelijk is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb.
2.3 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg, dat wil zeggen op het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding.
Het College is van oordeel dat het aangaan van het Convenant geen besluit is in de zin van de Awb. De ambtsvoorganger van verweerder heeft naar aanleiding van een initiatiefwetsvoorstel (wetsvoorstel-Thieme tot wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in verband met het invoeren van een verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten, Kamerstukken II, 2007-2008, 31571, nr. 2) aangegeven dat hij alternatieven ter verbetering van dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten met betrokken partijen wilde onderzoeken en bekijken of daarover met deze partijen een convenant afgesloten kon worden. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het Convenant, dat op 5 juni 2012 door verweerder en de betrokken partijen is ondertekend.
In artikel 2, eerste lid, van het Convenant zijn een aantal normen met betrekking tot de wijze van ritueel slachten opgenomen die door de convenantspartijen worden onderschreven. In het tweede lid is bepaald dat verweerder zich zal inspannen om te komen tot regelgeving waarin de normen, bedoeld in het eerste lid, zijn vastgelegd. In artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, zijn inspanningsverplichtingen voor verweerder opgenomen om te komen tot aanvullende (uitvoerings)regelgeving.
Het Convenant behelst derhalve in zoverre voor verweerder een inspanningsverplichting om regelgeving tot stand te brengen. Ter zitting is door verweerder verklaard dat partijen de in het Convenant neergelegde normen ondersteunen, maar dat geen sprake is van onmiddellijke werking van deze normen en dat er op grond van het Convenant geen handhavingtoezicht op deze normen kan worden uitgeoefend.
Het aangaan van dit Convenant is in zoverre dan ook niet gericht op enig rechtsgevolg en de juridische positie van partijen – waaronder de rechtspositie van appellant – wordt hierdoor niet gewijzigd. Datzelfde geldt voor de overige bepalingen van het Convenant.
Derhalve is geen sprake van een besluit in de zin van de Awb en stond geen bezwaar open tegen het aangaan van het Convenant door verweerder.
2.3 Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, mr. E. Dijt en mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2013.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. L.C. Bannink