Niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 13/106
13950
Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2014 in de zaak tussen
Stichting Trimenzo, te Twello, appellante
(gemachtigden: mr. J.M. van Noort en mr. C. Oudenaarden),
en
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
(gemachtigden: mr. J.J. Rijken en mr. M.A.M. Verduijn).
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerster het verzoek van appellante van 24 juni 2009 om een huurverhoging over de jaren 2009 en 2010 van € 725.217 per jaar, als gevolg van de wijziging van de afschrijvingssystematiek, te verwerken in de aanvaardbare kosten over die jaren, afgewezen.
Bij besluit van 7 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante gegrond verklaard. Verweerster heeft bij dat besluit – in verband met de eerder door verweerster gedane toezegging daartoe – alsnog met de verzochte huurverhoging over de jaren 2009 en 2010 ingestemd onder de voorwaarde dat een aangepast huurcontract aan verweerster wordt overgelegd waaruit blijkt dat de huurvoorwaarden zijn aangepast naar aanleiding van de wijziging van de afschrijvingssystematiek. Bij brief van 11 februari 2013 heeft verweerster in aanvulling op haar besluit van 7 januari 2013 appellante een vergoeding van de kosten gemaakt in de bezwaarschriftprocedure toegekend van € 944,-.
Appellante heeft bij brief van 14 februari 2013 tegen het bestreden besluit, met name tegen de gestelde voorwaarde, beroep ingesteld.
Bij tariefbeschikking van 3 mei 2013, verzonden op 7 mei 2013, heeft verweerster de tarieven vastgesteld die door appellante met ingang van 1 januari 2013 in rekening kunnen worden gebracht. In deze tariefbeschikking heeft verweerster alsnog de huurverhoging over de jaren 2009 en 2010 verwerkt.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Appellante heeft tegen het besluit van 7 januari 2013 beroep bij het College ingesteld omdat zij zich niet kon verenigen met de voorwaarde die verweerster aan de aanvullende huurvergoeding heeft verbonden, namelijk dat zij een aangepast huurcontract aan verweerster diende te overleggen. Appellante kon voor het betreffende pand geen huurovereenkomst meer overleggen omdat dit pand inmiddels was gesloopt. Verweerster heeft per brief van 21 februari 2013, na ommekomst van de beroepstermijn, appellante geïnformeerd dat appellante ook een document kan overleggen waaruit blijkt dat de huidige huur van het nieuwe pand zal worden verlaagd als gevolg van de gewijzigde afschrijvingssystematiek.
Nadat dit is geschied, heeft verweerster in de tariefbeschikking van 3 mei 2013 de huurverhoging over 2009 en 2010 alsnog verwerkt.
Appellante heeft ter zitting verklaard dat verweerster inmiddels, met de tariefbeschikking van 3 mei 2013, volledig aan haar bezwaar en grond van beroep tegemoet is gekomen. Nu verweerster pas hangende beroep is teruggekomen van de in de beslissing op bezwaar opgenomen voorwaarde, verzoekt appellante het College te bepalen dat verweerster de griffiekosten en de proceskosten van appellante vergoedt.
Het College is van oordeel dat, nu veerweerster volledig aan het bezwaar van appellante is tegemoetgekomen, appellante geen procesbelang meer heeft. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk.
Omdat verweerster op het moment van instellen van het beroep nog niet volledig aan het bezwaar van appellante was tegemoetgekomen, zal het College bepalen dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Het College veroordeelt verweerster in de door appellante gemaakte proceskosten. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Beslissing
Het College:
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-
draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 318,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 974,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Verwayen, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. P.M. van der Zanden, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2014.
w.g. B. Verwayen w.g. F.E. Mulder