toetsing, factuur, besluit, ontvankelijkheid, termijnoverschrijding, niet verschoonbaar
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 13/174 en 13/175
25300
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2014 in de zaken tussen
[bedrijf 1], te Den Haag, en [bedrijf 2], te [vestigingsplaats],
appellanten,(gemachtigde: mr. R.M. Köhne, advocaat te Voorburg),
en
het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. Manshande-Nonhof).
Procesverloop
Bij facturen van 9 mei 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder - destijds nog de rechtsvoorganger het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) - aan appellanten een bedrag van respectievelijk € 14.442,00 en € 12.506,50 in rekening gebracht voor toetsing van hun accountantspraktijk.
Bij besluiten van 7 februari 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen deze besluiten met toepassing van artikel 7:3, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. Appellanten zijn verschenen bij gemachtigde. Voorts is voor appellanten verschenen [naam 1] RA. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A. Sukkel.
Overwegingen
1. In artikel 6:4, eerste lid, Awb is bepaald dat het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Gelet op
artikel 6:8, eerste lid, in verbinding met artikel 6:7 Awb, moet een bezwaarschrift worden
ingediend binnen zes weken na de dag waarop een besluit op de voorgeschreven manier is
bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn van zes weken is ontvangen.
Namens appellanten heeft [naam 2] FB op 28 december 2012 per e-mailbericht, gericht aan [naam 3] van het NIVRA, bezwaar gemaakt tegen de facturen van 9 mei 2012. Bij brief van 8 januari 2013 heeft verweerder appellanten bericht dat, ook als een e-mailbericht als een bezwaarschrift in de zin van artikel 6:4 Awb moet worden opgevat, de e-mailberichten pas ruim na de termijn voor het indienen van bezwaar – die eindigde op 20 juni 2012 – zijn ontvangen en de bezwaren daarmee in beginsel niet-ontvankelijk zijn. In reactie op het verzoek van verweerder om hem te informeren over de reden van de te late indiening van de bezwaarschriften, hebben appellanten verweerder bij brief van 21 januari 2013 medegedeeld dat uit de factuur niet blijkt dat deze het karakter heeft van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb en dat door het ontbreken van een (juiste) rechtsmiddelverwijzing de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift niet kenbaar was. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat degene die voor het kantoor betrokken was bij het uitgevoerde kwaliteitsonderzoek en belast was met de beoordeling en afhandeling van de hiervoor door het NIVRA uitgereikte facturen, geruime tijd sterk beperkt is geweest in zijn werkzaamheden vanwege een medische complicatie met zijn kniegewricht, waarvoor hij een ingrijpende operatie moest ondergaan en een omvangrijk revalidatieproces moest doorlopen. Vanwege deze omstandigheid heeft hij niet de nodige tijd en aandacht kunnen besteden aan de uitgereikte facturen.
Het College overweegt dat volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraken van 21 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY8684, en 6 november 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG4020) de factuur voor de toetsing van de accountantspraktijk wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Het College stelt vast dat onder de bestreden besluiten is vermeld dat tegen de beslissing bezwaar kan worden gemaakt bij het bestuur van het NIVRA, dat deze termijn zes weken bedraagt en dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die van verzending van het besluit. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten terecht op het standpunt gesteld dat de vermelding van de bezwaarmogelijkheid voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3:45 Awb.Het College is voorts met verweerder van oordeel dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd omtrent de medische situatie van de bij het kwaliteitsonderzoek en de afhandeling van de facturen betrokken accountant niet kan leiden tot het oordeel dat appellanten redelijkerwijs niet in verzuim zijn geweest. Voor zover de betrokken accountant als gevolg van de medische complicaties aan zijn knie niet in staat kon worden geacht zelf tijdig kennis te nemen van de facturen en daartegen namens appellanten bezwaar te (doen) maken, mocht van hem worden verlangd dat hij iemand anders had gevraagd dit te doen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De bezwaren zijn dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. M.A. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2014.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.A. Voskamp