randvoorwaardenkorting, overtreding artikel 7 jo. 8 Meststoffenwet
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 11/690
5101
Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2014 in de zaak tussen
[naam], te [woonplaats], appellant
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken verweerder (gemachtigde: mr. R. Lamain-Nuijen).
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2011 heeft verweerder appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 5 % opgelegd in verband met overtreding van de Meststoffenwet.
Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 15 november 2011 heeft verweerder het besluit van 4 augustus 2011 herzien en appellant voor het jaar 2008 een randvoorwaardenkorting van 3 % opgelegd.
Op 31 oktober 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Ter zitting is het geding gevoegd behandeld met het geding met nummer 11/704. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en heeft het College bepaald dat daarin afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
Op grond van de Europese landbouwverordeningen dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt de geldende beheerseisen in acht te nemen. Een van deze eisen houdt in dat water wordt beschermd tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Deze bescherming is nader uitgewerkt in de Meststoffenwet. Indien de landbouwer zich niet aan deze eisen houdt worden de betalingen verlaagd. Ingevolge artikel 66 van Verordening (EG) nr. 796/2004 is de verlaging 3 %.
Volgens verweerder heeft appellant door teveel mest uit te rijden in strijd gehandeld met het in de Meststoffenwet opgenomen verbod om in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de gebruiksnormen in acht zijn genomen. Om die reden is appellant een korting van 3 % opgelegd op de door hem aangevraagde rechtstreekse betalingen.
3. Appellant voert aan dat de randvoorwaardenkorting niet terecht is omdat verweerder er geen rekening mee houdt dat in de kelder bezinksel is ontstaan. Daardoor bestaat de boven het bezinksel liggende laag grotendeels uit water. Om die reden is appellant bij het uitrijden van de mest binnen de gebruiksnormen gebleven.
Naar het oordeel van het College heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2011. Het College zal het beroep daarom in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tegen het besluit van 15 november 2011 gerichte beroep overweegt het College als volgt.
Bij uitspraak van heden op het hoger beroep van appellant met nummer 11/704 heeft het College beslist dat appellant in 2008 de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden. Daarmee staat vast dat appellant artikel 7 in verbinding met artikel 8 van de Meststoffenwet heeft overtreden. Dit betekent dat verweerder gehouden was een randvoorwaardenkorting van 3 % toe te passen.
4.4 Het beroep tegen het besluit van 15 november 2011 is ongegrond.
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2011 niet-ontvankelijk;- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 november 2011 ongegrond.
Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2014.
w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven