ECLI:NL:CBB:2014:136
public
2015-11-10T13:09:03
2014-04-18
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2014-03-31
AWB 12/516
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2014:136
public
2014-04-18T12:04:46
2014-04-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2014:136 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 31-03-2014 / AWB 12/516

Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/516

11238

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2014 in de zaak tussen

[bedrijfsnaam] B.V., te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: P.H.G. Lansing)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H.J. Anthonissen).

Procesverloop

Bij factuur van 25 november 2011 heeft verweerder bij appellante bedragen ten behoeve van keuringswerkzaamheden in rekening gebracht.

Bij besluit van 23 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2014.

Voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door H. Wolf.

Ter zitting heeft de voorzitter de behandeling van de zaak geschorst en de gemachtigde van

verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken kenbaar te maken of verweerder het

bezwaarschrift van appellante inhoudelijk wil behandelen. Verweerder heeft bij brief

van 14 januari 2014 van te kennen gegeven daartoe geen aanleiding te zien. Appellante heeft daarop

bij brief van 6 februari 2014 gereageerd.

Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.

In artikel 3:41 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 6:7 Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

In artikel 6:8, eerste lid, Awb is bepaald dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is niet binnen de termijn van zes weken ingediend. Verder is niet gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

3.

Volgens vaste jurisprudentie van het College is met het in rekening brengen van werkzaamheden bij factuur van 25 november 2011 een besluit in de zin van de Awb genomen. Dit betekent dat de bezwaartermijn, nadat het besluit op die datum aan appellante is verzonden, een aanvang heeft genomen op 26 november 2011 en is geëindigd op 7 januari 2012. De stelling van appellante dat het besluit pas definitief is genomen doordat verweerder per e-mail van 31 januari 2012 aan appellante te kennen heeft gegeven dat er correct is gefactureerd, kan het College, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 3:41, eerste lid, Awb, niet volgen.

4.

Vast staat dat appellante bij brief van 31 januari 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen de factuur van 25 november 2011. Dit betekent dat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn van 6 weken is ingediend. De stelling van appellante dat haar e-mail van 13 december 2011 als een bezwaarschrift aangemerkt had moeten worden, volgt het College niet. De e-mail past immers in de door appellante beschreven praktijk van communicatie met verweerder over facturen waarover verschillen van mening bestaan. Appellante heeft dienaangaande te kennen gegeven dat zij met verweerder in voorkomend geval telefonisch of per e-mail contact opneemt om tot een minnelijke schikking te komen, alsmede dat zij deze werkwijze reeds tien jaar naar tevredenheid hanteert.

5.

Gelet op het vorenstaande dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

6.

Allereerst staat vast dat op de achterzijde van de factuur een bezwaarclausule is opgenomen. Gelet hierop kon appellante weten dat zij, wanneer zij het niet eens is met de factuur, tijdig, dat wil zeggen binnen 6 weken na verzending van de factuur, een bezwaarschrift had moeten indienen.

Naar het oordeel van het College is voorts niet gebleken dat verweerder toezeggingen heeft gedaan dat appellante een langere termijn zou worden gegeven om bezwaar te maken.

Het College overweegt verder dat de overschrijding van de termijn het gevolg is van een keuze van appellante om pas een bezwaarschrift in te dienen op een moment dat haar definitief bleek dat een minnelijke schikking over de factuur met verweerder niet tot de mogelijkheden behoorde. Deze keuze dient voor risico van appellante te komen. Het beproeven van een minnelijke schikking had er niet aan in de weg hoeven te staan tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Juist de door appellante geschetste omstandigheid dat in dit geval niet snel tot een minnelijke schikking kon worden gekomen, had voor haar aanleiding moeten zijn een bezwaarschrift in te dienen binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn.

7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een

proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2014.

w.g. E. Dijt w.g. P.M. Beishuizen