I&R-systeem schapen en geiten, investeringsheffing
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 12/654
5101
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2014 in de zaak tussen
[naam], te [woonplaats], appellant
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Kuipers).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder appellant op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren (de Regeling) voor het jaar 2010 een aantal heffingen opgelegd waaronder een investeringsheffing van € 650,-.
Bij besluit van 25 mei 2012 heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellant heeft dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014.
Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Per 1 januari 2010 is de op Verordening (EG) nr. 21/2004 gebaseerde verplichting tot individuele registratie van schapen en geiten ingevoerd. Teneinde een dergelijke registratie mogelijk te maken zijn door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit investerings- en uitvoeringskosten gemaakt. Afgesproken is dat die kosten zouden worden verdeeld tussen dit ministerie en het bedrijfsleven. De investeringskosten komen voor rekening van houders die meer dan 100 schapen of geiten houden op hun Uniek Bedrijfsnummer (UBN). Ter financiering van de investeringsheffing konden deze houders een compensatie aanvragen via de Gecombineerde opgave.
Appellant heeft door middel van de Opgave novembertelling 2009 gemeld dat hij per 1 november 2009 120 ooien op zijn bedrijf had. De naar aanleiding van die opgave aan appellant opgelegde heffing van € 683,50 bestaat uit een vast bedrag per UBN van € 33,50 en een heffing ter dekking van de investeringskosten van € 650,-.
Appellant is het niet eens met de investeringsheffing. Hij stelt ten onrechte te moeten betalen voor diensten die hij niet wenst en waarvan hij geen gebruik zal maken. Appellant heeft steeds gezegd dat hij niet wilde meewerken aan het elektronisch merken of het chipsysteem, en dat hij zou stoppen met het houden van schapen wanneer dat systeem onverhoopt toch zou worden ingevoerd. Verder vindt appellant dat hierover geen goede voorlichting aan belanghebbenden is gegeven.
Ten tijde van belang luidde artikel 43i van de Regeling als volgt:
“1. Ter zake van het voorhanden of het in voorraad hebben van een of meer schapen of geiten is de houder van schapen of geiten jaarlijks een bedrag van € 33,50 per aan de houder toegekend UBN verschuldigd.2. In aanvulling op het eerste lid is de houder per aan de houder toegekend UBN, waar op 1 november van het voorgaande jaar meer dan 100 schapen of geiten worden gehouden, jaarlijks een bedrag van € 650,00 verschuldigd”.
De door verweerder aan appellant opgelegde heffing is geheel in overeenstemming met de Regeling. Appellant was de investeringsheffing verschuldigd, aangezien hij op 1 november 2009 (de peildatum voor het jaar 2010) meer dan 100 schapen hield. De novembertelling geldt blijkens artikel 43i, tweede lid, van de Regeling als uitgangspunt voor (het verschuldigd zijn van) de investeringsheffing. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat deze heffing niet (langer) is verschuldigd indien het aantal schapen in de loop van 2010 lager is dan 100: appellant heeft dienaangaande niets aangevoerd, doch heeft volstaan met de stelling dat het aantal schapen vanaf 2010 geleidelijk is verminderd. Verweerder heeft de investeringsheffing voor 2010 dan ook terecht aan appellant opgelegd. De omstandigheid dat appellant het niet eens is met de elektronische registratie en het chipsysteem, en daarom het plan heeft opgevat om te stoppen met het houden van schapen, maakt dit niet anders. Ook de stelling dat de voorlichting over de invoering van het “I&R-systeem schaap/geit” ontoereikend is geweest, treft geen doel. Verweerder heeft de schapenhouders geïnformeerd over het systeem en de investeringsheffing door middel van een informatiebrochure die is meegezonden met het formulier novembertelling 2009.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2014.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld