ECLI:NL:CBB:2014:273
public
2015-11-11T10:57:41
2014-08-05
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2014-06-30
AWB 12/329
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2014:273
public
2014-08-05T11:19:15
2014-08-05
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2014:273 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-06-2014 / AWB 12/329

Overtreding artikel 38, eerste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's

dwangsom

dierziekten

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/329

11200

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2014 in de zaak tussen

Stichting Veehandelscentrum Noord-Nederland, appellante

(gemachtigde: Tj. P. J. Galama)

en

de Staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).

Procesverloop

Bij het primaire besluit van 31 mei 2011 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd in verband met overtreding van artikel 38, eerste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.

Bij besluit van 22 juli 2011 heeft verweerder bepaald dat door appellante een dwangsom van € 5.000,- is verbeurd. Tevens is verweerder overgegaan tot invordering van deze dwangsom. Bij hetzelfde besluit heeft verweerder aan appellante opnieuw een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 31 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen de besluiten van 31 mei 2011 en van 22 juli 2011, ongegrond verklaard.

Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013, waarbij het standpunt van beide partijen is verwoord door de gemachtigde.

Bij beschikking van 10 december 2013 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder om nadere inlichtingen verzocht.

Bij brief van 16 december 2013 heeft verweerder het College nader geïnformeerd.

Bij brief van 14 januari 2014 heeft appellante een reactie gegeven op de brief van verweerder.

Nadat van beide partijen toestemming was verkregen voor het achterwege laten van een nieuwe zitting heeft het College het onderzoek op 13 maart 2014 gesloten.

Overwegingen

1.1 In Richtlijn 64/432/EEG van 26 juni 1964 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens is, voor zover hier van belang, bepaald:

"Artikel 1Deze richtlijn heeft betrekking op het intracommunautaire handelsverkeer in fok-, gebruiks- en slachtrunderen en fok-, gebruiks- en slachtvarkens.

Artikel 2In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a. (…)

b. slachtrunderen: runderen en varkens die zijn bestemd om onmiddellijk na aankomst in het land van bestemming rechtstreeks te worden geleid naar het slachthuis of naar een naast het slachthuis gelegen markt waarvoor de regeling geldt dat alle dieren, met name na afloop van de markt, uitsluitend mogen worden geleid naar een hiertoe door de centrale bevoegde autoriteit aangewezen slachthuis ( …)

c. fok- en gebruiksdieren: andere dan de sub b. genoemde runderen en varkens, met name fokdieren en dieren die zij bestemd voor de melk- en vleesproduktie of om als trekkracht te worden gebruikt.

(…)"

1.2 In de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: Regeling preventie) is, voor zover hier van belang, bepaald:

"Artikel 11. In deze regeling wordt verstaan onder:(…) g. vetweiderijbedrijf: bedrijf waar uitsluitend runderen worden gehouden die zijn bestemd om rechtstreeks te worden afgevoerd naar het slachthuis;h. weiderunderen: vrouwelijke runderen, ouder dan 12 maanden, die kennelijk zijn bestemd om te worden afgevoerd naar een vetweiderijbedrijf;(…)r. runderverzamelcentrum: plaats in Nederland ten behoeve van de verzameling van runderen;(…)aa. Slachtrunderen: runderen die kennelijk zijn bestemd voor de slacht.(…) Artikel 38

1.

Op een verzamelcentrum worden niet tegelijkertijd verschillende diersoorten, diercategorieën of evenhoevigen met een verschillende gezondheidsstatus bijeen gebracht.2. Het eerste lid is niet van toepassing op slachtschapen en slachtgeiten met dezelfde gezondheidsstatus.3. Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd bijeenbrengen op een runderverzamelcentrum van fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus, mits de fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus in afzonderlijke epidemiologische eenheden afgescheiden van elkaar worden gehouden.4. Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd bijeenbrengen op een runderverzamelcentrum van fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus en runderen, jonger dan 12 weken, mits de fokrunderen met een verschillende gezondheidsstatus en de runderen, jonger dan 12 weken, in afzonderlijke epidemiologische eenheden afgescheiden van elkaar worden gehouden en er gedurende de blokperiode van de laatstgenoemde dieren geen fokrunderen worden aan- of afgevoerd.5. Het eerste lid is niet van toepassing op het tegelijkertijd bijeenbrengen van runderen, schapen en geiten op een tentoonstelling of een keuring, mits deze zodanig is ingericht dat de verschillende diersoorten niet met elkaar in contact kunnen komen.

Artikel 46

1.

Weiderunderen worden van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum rechtstreeks afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis. 2. In afwijking van het eerste lid, mogen weiderunderen van een ingevolge artikel 21 erkend runderverzamelcentrum, worden afgevoerd naar een in Nederland gelegen vetweiderijbedrijf dat uitsluitend runderen rechtstreeks afvoert naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis (…).3. Weiderunderen worden van een vetweiderij rechtstreeks afgevoerd naar een al dan niet in Nederland gelegen slachthuis."

2. Op verschillende data in 2010 hebben toezichthouders van de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit van het ministerie van Economische Zaken (hierna: nVWA) geconstateerd dat op het verzamelcentrum van appellante verschillende diercategorieën waren samengebracht. Tijdens blokperiodes voor weiderunderen waren ook slachtrunderen aanwezig. Op 3 augustus 2010 heeft verweerder in verband daarmee het voornemen kenbaar gemaakt om bij een volgende overtreding van artikel 38, eerste lid, van de Regeling preventie een last onder dwangsom op te leggen. Bij opeenvolgende controles in de maanden februari 2011 tot en met mei 2011 hebben toezichthouders van de nVWA opnieuw geconstateerd dat op het verzamelcentrum van appellante verschillende diercategorieën waren samengebracht. Op grond daarvan heeft verweerder het primaire besluit van 31 mei 2011 genomen, en nadien, op 22 juli 2011 een invorderingsbesluit genomen en een nieuwe last onder dwangsom opgelegd. Deze besluiten zijn na bezwaar van appellante gehandhaafd.

3.

In geschil is of verweerder op goede gronden een last onder dwangsom aan appellante heeft opgelegd en is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.

4.

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de volgende overwegingen.De Regeling preventie onderscheidt drie categorieën dieren, namelijk fok,- gebruiks,- en slachtdieren. De op het veehandelscentrum aanwezige stieren waren bestemd voor de slacht. Weiderunderen zijn vrouwelijke runderen ouder dan 12 maanden die niet uitsluitend bestemd zijn voor de slacht, maar ook bestemd kunnen zijn voor het vetweiderijbedrijf. Slachtstieren en weiderunderen behoren dus tot verschillende categorieën zodat appellante, door deze in één blokperiode op het verzamelcentrum bijeen te brengen, artikel 38, eerste lid van de Regeling preventie heeft overtreden. Hierdoor ontstaat een verhoogd risico op verspreiding van besmettelijke dierziekten. Dit komt omdat weiderunderen vanaf de verzamelplaats niet per definitie naar het slachthuis worden afgevoerd. Om deze reden dient bij de nVWA een apart weideblok aangevraagd te worden wanneer weiderunderen op een verzamelplaats bijeen worden gebracht.

5.

Appellant betwist dat ten aanzien van slachtrunderen en weiderunderen sprake is van verschillende diercategorieën. Tijdens een blokperiode voor weiderunderen worden 400 tot 500 dieren aangevoerd. Het overgrote deel (circa 90%), waaronder alle stieren, wordt voor de slacht afgevoerd, dus als slachtrunderen. Een klein gedeelte van de vrouwelijke dieren wordt afgevoerd naar gecertificeerde vetweiderijbedrijven om daar afgemest te worden. Ook deze runderen zijn uiteindelijk bestemd voor de slacht. Volgens appellante niet valt in te zien dat mannelijke runderen meer risico op verspreiding van besmettelijke dierziekten en zoönosen zouden opleveren dan vrouwelijke dieren. Zij betwist dat zij door de aanvoer van mannelijke en vrouwelijke runderen tijdens een blokperiode voor weiderunderen verschillende diersoorten of diercategorieën gelijktijdig heeft verzameld. Volgens appellante valt verder niet in te zien hoe deze handelwijze het risico op het overbrengen van besmettelijke dierziekten zou verhogen.

Het College overweegt als volgt.

6.1 Op het verzamelcentrum van appellante worden runderen aangeboden en verhandeld. Een groot deel van de runderen, waaronder alle stieren, wordt als slachtrunderen direct afgevoerd naar de slachterij. Een relatief klein deel wordt als weiderunderen afgevoerd naar een vetweiderijbedrijf om aldaar te worden afgemest. Ook deze zijn uiteindelijk bestemd voor de slacht.

6.2

In de (begripsomschrijvingen van de) Regeling preventie wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds weiderunderen, te weten vrouwelijke runderen, ouder dan 12 maanden, die kennelijk zijn bestemd om te worden afgevoerd naar een vetweiderijbedrijf, en slachtrunderen, runderen die kennelijk zijn bestemd voor de slacht. Het gaat hier dus om verschillende diercategorieën in de zin van de Regeling preventie. De enkele omstandigheid dat alle runderen (uiteindelijk) voor de slacht zijn bestemd maakt dit niet anders. Het College wijst er verder op dat ook in Richtlijn 64/432/EEG onderscheid wordt gemaakt tussen slachtrunderen (die direct naar de slacht gaan) en gebruiksdieren (die onder meer voor de vleesproductie bestemd zijn).

6.3

Vast staat dat appellante in haar veehandelscentrum herhaalde malen tegelijkertijd zowel slachtrunderen als weiderunderen in de zin van de Regeling preventie heeft verzameld. Het gaat er daarbij, anders dan appellante veronderstelt, niet om dat stieren in het weideblok zijn aangevoerd, maar dat de runderen die naar het vetweiderijbedrijf gaan niet apart worden gehouden van de runderen die rechtsreeks naar de slacht gaan (waaronder alle stieren). Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante herhaaldelijk in strijd heeft gehandeld met artikel 38, eerste lid, van de Regeling preventie. Gelet hierop was verweerder bevoegd om tot handhavend optreden over te gaan. Naar het oordeel van het College heeft verweerder in dit geval, met het oog op de gewenste naleving van de overtreden verbodsbepaling, op goede gronden voor het opleggen van een dwangsom gekozen.

6.4

In het betoog van appellante dat haar handelwijze geen verhoogd risico op verspreiding van besmettelijke dierziekten met zich brengt, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om van handhavend optreden af te zien. Verweerder heeft, naar aanleiding van de door het College gevraagde inlichtingen, de ratio van het verbod tot het samenbrengen van enerzijds slachtrunderen en anderzijds weiderunderen die van een verzamelcentrum via een vetweiderijbedrijf naar de slachterij gaan, nader toegelicht en daarmee de stelling dat het gaat om verschillende diercategorieën nader onderbouwd. Met name heeft verweerder erop gewezen dat weiderunderen die na verblijf in een verzamelcentrum terug naar een primair bedrijf gaan, dierziektetechnisch gezien een risico zijn, omdat zij tijdens het verblijf in een verzamelcentrum – waar dieren van verschillende herkomst bijeengebracht worden - ziekten kunnen oplopen en in het primaire bedrijf verspreiden. Daarom is de mogelijkheid om weiderunderen op grond van artikel 46 Regeling preventie naar een vetweiderijbedrijf af te voeren om afgemest te worden voor de slacht, met strikte waarborgen omgeven. Zo is vereist dat de vervoerder, het verzamelcentrum en het vetweiderijbedrijf deelnemen aan een kwaliteitsysteem dat mede gebaseerd is op artikel 38 Regeling preventie en is gericht op het apart laten verblijven van weiderunderen in een verzamelcentrum..Door geen contacten tussen de weiderunderen en andere diercategorieën toe te staan, wordt het risico van terugvoeren van een verzamelcentrum naar een primair bedrijf zo klein mogelijk gehouden. Om deze reden houdt verweerder strikt vast aan het voorschrift dat verschillende diercategorieën niet in een verzamelcentrum mogen worden samengebracht. Het College ziet geen reden om aan de juistheid van dit betoog van verweerder in twijfel te trekken. De door appellante overgelegde verklaringen van dierenartsen werpen geen ander licht op deze kwestie.

6.5

Weliswaar kan uit de door appellante overgelegde stukken worden afgeleid dat vanuit de sector wordt aangedrongen op herziening of versoepeling van de regels op het gebied van (onder meer) de preventie van besmettelijke dierziekten, maar nu er nog geen concreet vooruitzicht bestaat dat het nu in geding zijnde voorschrift van de Regeling preventie wordt afgeschaft of versoepeld, ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet zou mogen vasthouden aan onverkorte naleving van het verbod op het bijeen brengen van verschillende diercategorieën in een verzamelcentrum.

6.6 Niet in geschil is dat appellante na het opleggen van de last onder dwangsom bij besluit van 31 mei 2011 andermaal het verbod genoemd in artikel 38, eerste lid, van de Regeling preventie heeft overtreden. Daarmee staat vast dat de dwangsom van rechtswege is verbeurd. Er zijn het College geen omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van invordering van de verbeurde dwangsom had moeten afzien.Dit betekent dat verweerder ook de invorderingsbeslissing terecht heeft gehandhaafd.

6.7

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. E.R. Eggeraat en mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2014.

w.g. Waterbolk de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.