niet-ontvankelijk, wegens gebrek aan procesbelang
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 12/584
11201
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2014 in de zaak tussen
[naam], te [plaats], appellant,
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveldt-Bosch).
Procesverloop
Op 23 maart 2012 heeft verweerder met toepassing van spoedbestuursdwang drie honden en twee katten van appellant in beslag genomen wegens overtreding van de artikelen 36, eerste en derde lid en 37, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Bij besluit van 3 april 2012 heeft verweerder deze beslissing op schrift gesteld (het primaire besluit).
Op 3 april 2012 heeft appellant bezwaar tegen het primaire besluit ingediend.
Bij besluit van 6 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard voor wat betreft de door verweerder toegepaste spoedbestuursdwang en de beslissing in zoverre herroepen. In het bestreden besluit heeft verweerder appellant tevens medegedeeld dat teruggave van de honden niet meer mogelijk was omdat deze inmiddels aan een derde waren overgedragen zodat verweerder gehouden was aan appellant een schadevergoeding toe te kennen. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Bij brief van 12 november 2013 heeft verweerder zijn besluit van 10 januari 2013 waarbij hij aan appellant een schadevergoeding voor de honden heeft toegekend, zoals in het bestreden besluit aangekondigd, overgelegd. Hierop heeft het College bij beslissing van 3 december 2013 besloten het onderzoek te heropenen en appellant in de gelegenheid te stellen hierop, met name ten aanzien van zijn procesbelang in beroep, te reageren. Appellant heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
De zaak is door een meervoudige kamer van het College verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2014.
Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voor het College zijn de volgende feiten komen vast te staan.
Op 23 maart 2012 heeft in de woning van appellant een doorzoeking plaatsgevonden. In de woning zijn aangetroffen twee franse bulldogs met één levende pup en vier dode pups en twee katten. Voorts is gebleken dat de woning vies en bevuild was met ontlasting van de dieren. Met inachtneming van het advies van de ter plaatse gekomen dierenarts heeft verweerder besloten tot toepassing van spoedbestuursdwang en zijn de dieren meegevoerd en opgeslagen. Bij besluit van
3 april 2012 heeft verweerder deze beslissing op schrift gesteld.
Bij brief van 26 maart 2012 heeft verweerder appellant te kennen gegeven dat hij voornemens is de dieren van appellant op 9 april 2012 vrij te geven. Bij brief van 27 maart 2012 heeft verweerder appellant te kennen gegeven dat als de gezondheidssituatie van de in bewaring genomen honden is verbeterd (van de katten had appellant afstand gedaan), de huisvestingssituatie is aangepast en appellant voor 9 april 2012 de geschatte kosten verbonden aan de bestuursdwang (€ 2600,-) aan verweerder worden overgemaakt, de honden aan appellant kunnen worden overgedragen. Appellant is hierop niet ingegaan. Verweerder heeft vervolgens de honden aan een derde overgedragen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 3 april 2012 herroepen. Volgens verweerder rechtvaardigde de huisvestingssituatie en de fysieke conditie van de dieren wel tot ingrijpen met bestuursdwang, maar de aangetroffen situatie was niet dusdanig spoedeisend dat bestuursdwang zonder voorafgaande last mocht worden toegepast. Bij het bestreden besluit is aan appellant een vergoeding voor de kosten in bezwaar toegekend. Nu verweerder de honden inmiddels bij een derde had herplaatst, was verweerder gehouden de schade van de honden aan appellant te vergoeden.
Appellant heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend. Bij zelfstandig besluit van 10 januari 2013 heeft verweerder dit verzoek (gedeeltelijk) ingewilligd en besloten de door appellant verzochte schadevergoeding voor de honden van € 1950,- (€ 650,- per hond) toe te kennen.
Appellant heeft bij zijn beroepschrift verzocht om teruggave van zijn honden.
Naar het oordeel van het College heeft appellant geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep. Voor het College staat vast dat verweerder de honden niet meer in het bezit heeft zodat van feitelijke teruggave van de honden geen sprake meer kan zijn. Bovendien staat vast dat verweerder, wegens de onrechtmatige toepassing van spoedbestuursdwang – het bezwaar van appellant is door verweerder immers gegrond verklaard - aan appellant bij separaat zelfstandig schadebesluit een vergoeding heeft toegekend voor de schade voortvloeiende uit het onrechtmatige primaire besluit.
Appellant heeft, hoewel hij daartoe bij de beslissing tot heropening van het onderzoek van het College van 3 december 2013 in de gelegenheid is gesteld, geen belang gesteld.
Gelet hierop is het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.
w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.M. Beishuizen