ECLI:NL:CBB:2014:388
public
2015-11-10T23:23:53
2014-10-23
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2014-10-01
AWB 12/573
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2014:388
public
2014-10-23T10:06:37
2014-10-23
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2014:388 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 01-10-2014 / AWB 12/573

Heffing uitvoer dieren, oneerlijke behandeling, onredelijke heffing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/573

4000

Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant,

(gemachtigde: mr. ir. J.H. Wassenaar)

en

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.F. Ordogh)

Procesverloop

Bij factuur van 3 februari 2012 is aan appellant een heffing voor het jaar 2011 opgelegd. Bij factuur van 10 februari 2011 is een eerdere aan appellant opgelegde heffing voor het jaar 2010 gecorrigeerd.

Bij besluit van 4 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder op de tegen deze facturen gerichte bezwaren beslist.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 26 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij appellant en de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder heeft ambtshalve aan appellant voor het jaar 2010 en voor het eerste en tweede kwartaal van 2011 heffingen opgelegd voor de uitvoer van schapen op grond van de Verordeningen huishoudelijke heffing (PVV) en bestemmingsheffingen schapen en geiten (PVV) 2010 en 2011. Voor het jaar 2010 bedroeg de heffing € 1075,--. Voor de eerste twee kwartalen van 2011 is € 1237,50 per kwartaal opgelegd. Appellant heeft tegen de heffingen voor de eerste twee kwartalen van 2011 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is gegrond verklaard, conform het advies van de externe bezwarencommissie, omdat de schatting waarop de heffing was gebaseerd voor 2011 niet redelijk werd geacht.

Vervolgens heeft verweerder een administratieve controle laten verrichten bij appellant. Op basis van deze controle heeft verweerder geconstateerd dat appellant in het jaar 2010 geen 1250 maar 662 schapen heeft uitgevoerd en in het jaar 2011 de uitvoer 536 schapen bedroeg. Verweerder heeft daarop voor het jaar 2010 de eerder opgelegde heffing gecorrigeerd en een bedrag van € 496,48 terugbetaald. Voor het jaar 2011 heeft verweerder een heffing opgelegd van € 530,64. De schapen worden door verweerder als uitgevoerd aangemerkt omdat ze zijn afgeleverd aan een in België gevestigde onderneming.

2. Appellant is van mening dat de in geding zijnde heffingen voor de uitvoer van dieren ten onrechte aan hem zijn opgelegd. Hij stelt dat de bepalingen uit de Verordeningen huishoudelijke heffing (PVV) en bestemmingsheffingen schapen en geiten (PVV) 2010 en 2011 waarop deze heffingen zijn gebaseerd, onverbindend moeten worden verklaard. Door het opleggen van de heffingen discrimineert verweerder, nu een buitenlandse onderneming als die waaraan appellant de schapen heeft afgeleverd, daarbij wordt ontzien terwijl die onderneming in Nederland dezelfde activiteiten verricht. Ook als aflevering van de schapen in Nederland plaatsvindt, zoals hier is gebeurd, wordt appellant voor de uitvoer aangeslagen. Dit terwijl de buitenlandse onderneming de schapen ook kan doorverkopen in Nederland, maar dan niet wordt belast. Nu niet wordt gekeken naar de daadwerkelijke activiteit is daarmee sprake van ontoelaatbare discriminatie. Het rechtsvermoeden dat bij aflevering aan een in het buitenland gevestigde onderneming sprake is van uitvoer, ongeacht de plaats van de verkoop, is onredelijk. Van de verkoper kan in redelijkheid niet worden gevergd dat hij moet bewijzen of de koper al dan niet de schapen doorverkoopt of uitvoert. Verweerder is veel beter in staat dit te controleren. Appellant betwist dat het voor verweerder ondoenlijk zou zijn de heffing te innen van de buitenlandse onderneming. Voor andere productschappen geldt wel dat de heffing op buitenlandse ondernemingen moet worden verhaald. Daarbij wijst appellant op een uitspraak van het College van 23 maart 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BP9331). De heffing is daarom ook in strijd met het verbod van willekeur. Bovendien kan van appellant niet worden verwacht dat hij de heffing doorberekent in de verkoopprijs; hij zou dan een andere prijs moeten vragen dan van een in Nederland gevestigde koper. Dit werkt handelsbelemmerend.

3. Het College komt tot de volgende beoordeling.

De rechtmatigheid van algemeen verbindende voorschriften kan bij wege van exceptieve toetsing worden beoordeeld in het kader van een beroep. Volgens vaste jurisprudentie kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere - algemeen verbindende - regeling dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid toetsend, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan.

In artikel 2 van de Verordeningen (PVV) huishoudelijke heffing 2010 en 2011 is bepaald dat de ondernemer die een of meer dieren slacht of doet slachten, dan wel uitvoert aan het productschap een heffing verschuldigd is. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Verordening huishoudelijke heffing en artikel 3 van de Verordening bestemmingsheffing schapen en geiten 2010 en 2011 wordt als ondernemer die uitvoert degene aangemerkt die een of meer dieren (a.) in het handelsverkeer brengt, (b.) naar derde landen vervoert dan wel (c). aflevert aan een rechtspersoon wiens bedrijf niet in Nederland is gevestigd, ongeacht of de ontvangst van die dieren door deze rechtspersoon in Nederland plaatsvindt.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat deze bepalingen in strijd zijn met een hogere regeling dan wel de algemene rechtsbeginselen.

Blijkens de toelichting op de verordeningen is met deze bepalingen beoogd aan de laatste Nederlandse schakel een heffing op te leggen, waarbij de redenering is dat zowel bij slacht als bij uitvoer het dier het Nederlandse handelsverkeer verlaat. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van het College niet de hem krachtens artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie toekomende ruime bevoegdheid overschreden voor het kiezen van een toepasselijke grondslag voor het opleggen van een heffing.

Van uitvoer is (onder meer) sprake als de dieren worden afgeleverd aan een (rechts)persoon wiens bedrijf niet in Nederland is gevestigd, ongeacht of de ontvangst van de dieren door deze (rechts)persoon in Nederland plaatsvindt. De strekking van deze bepaling is dat de aflevering aan een in het buitenland gevestigde (rechts)persoon het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat de dieren na de aflevering Nederland verlaten. Het College begrijpt het betoog van appellant zo dat hij zich met name keert tegen het feit dat hij wel en de buitenlandse koper geen heffing verschuldigd is, in het geval de dieren Nederland niet hebben verlaten. Deze stelling ziet er aan voorbij dat in dat geval appellant ook geen heffing verschuldigd is.

Voor zover appellant zich richt tegen het bestaan van het rechtsvermoeden is van belang dat

de vestigingsplaats van de kopende rechtspersoon weliswaar een bepalende rol speelt bij dat rechtsvermoeden, maar dat dat nog niet betekent dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling tussen appellant en de buitenlandse koper. Daarbij is van belang dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in het rechtsvermoeden besloten liggende veronderstelling dat in geval de koper een in het buitenland gevestigde onderneming is de verhandelde dieren Nederland zullen verlaten geen enkele realiteitswaarde heeft. Voorts is van belang dat de verkoper de ruimte heeft om aan te tonen dat de door hem aan de buitenlandse koper verkochte dieren na de verkoop niet (direct) Nederland hebben verlaten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is een begin van bewijs hiervoor te leveren. Dat dit een bepaalde (administratieve) last met zich meebrengt, maakt naar het oordeel van het College voorts niet dat de keuze om in dit geval uit te gaan van het rechtsvermoeden dat sprake is van uitvoer onredelijk of willekeurig is, al is bij andere heffingen voor een ander systeem gekozen. De stelling van appellant dat een verkoper er feitelijk niet voor kan kiezen de heffing door te berekenen, omdat dit zijn concurrentiepositie benadeelt en daarom handelsbelemmerend werkt, leidt niet tot de conclusie dat de heffingen onrechtmatig zijn. Hoewel niet gezegd kan worden dat een heffing niet enige invloed op de concurrentie heeft, is daarmee geen sprake van het ongeoorloofd beperken van de mededinging, zoals bedoeld in artikel 93, vijfde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie. Van uitschakeling van de nuttige functie van de concurrentie is niet gebleken.

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een

proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2014.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk