ECLI:NL:CBB:2014:55
public
2015-11-10T17:44:37
2014-02-14
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2014-01-30
AWB 09/653 AWB 09/657 AWB 09/658
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2014:55
public
2014-02-14T10:20:58
2014-02-14
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2014:55 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-01-2014 / AWB 09/653 AWB 09/657 AWB 09/658

heffingen productschap, strijd met hogere regegeving, dan wel algemene rechtsbeginselen

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 09/653, 09/657 en 09/658

4288

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2014 in de zaak tussen

1.

[appellante 1] , te [vestigingsplaats] (09/653)

2.

[appellante 2] , te [vestigingsplaats], rechtsopvolgster van maatschap [naam] (09/657 en 09/658),

appellanten

(gemachtigde: mr. J.M.R. Vlaar),

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M.W.L. Smeelen)

Procesverloop

Bij nota’s van verschillende data (de primaire besluiten) heeft verweerder ambtshalve heffingen opgelegd aan appellanten.

Bij besluiten van 25 maart 2009 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013, waarbij partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek op verzoek van appellanten geschorst ten einde zich te beraden over de mogelijkheid alsnog aangifte te doen.

Bij brief van 11 november 2013 hebben appellanten meegedeeld dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik wensen te maken en graag een uitspraak willen van het College op de onderhavige beroepen. Op 15 november 2013 heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Aan appellante sub 1 is bij nota van 16 oktober 2008 ambtshalve heffing opgelegd

ten bedrage van € 747,13 op grond van de Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2003, de Verordening bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2003 en het Besluit heffingen groenten en fruit 2003. Aan appellante sub 2 zijn bij nota’s van 20 november 2008 heffingen opgelegd ten bedrage van € 2.080,-- en € 2.288,-- op grond van de Verordeningen heffing teelt groenten en fruit 2003 en 2004 in samenhang met de Besluiten PT heffingen groenten en fruit 2003 en 2004.

1.2

De bezwaren van appellanten zijn bij de bestreden besluiten van 25 maart 2009 ongegrond verklaard. Appellanten hebben daartegen beroep ingesteld bij het College. De behandeling van het beroep is op verzoek van appellanten uitgesteld in verband met een aangespannen procedure bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) in een soortgelijke zaak, met nummer AWB 06/255, met als reden dat de uitspraak van het Hof van belang kan zijn voor de onderhavige zaken. Bij brief van 12 juli 2013 hebben appellanten de beslissing van het Hof van 31 mei 2012 aan het College toegezonden en ingestemd met behandeling van de zaken ter zitting. De beslissing van het Hof luidt als volgt: “ (…) the Court found that the admissibility criteria set out in Articles 34 en 35 of the Convention have not been met.”

2.

Appellanten voeren tegen de hier aan de orde zijnde heffingen allereerst de gronden aan die ook in de zaak AWB 06/255 naar voren zijn gebracht.

Het College volstaat ten aanzien van die gronden, waarin bezwaren worden geuit van principiële en algemene aard tegen de heffingen (c.q. de heffingsbevoegdheid) van de Productschappen (inclusief verweerder), met een verwijzing naar de uitspraak in de zaak AWB 06/255 van 6 april 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BM3157) waarbij het College deze gronden ongegrond heeft verklaard. In de tegen deze uitspraak gerichte procedure bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft het Hof bovengenoemde beslissing genomen.

3.1

Aanvullend hebben appellanten aangevoerd dat in de uitspraak van het College van 6 april 2010 onvoldoende is ingegaan op de specifieke Verordening die aan de heffing ten grondslag lag. Het College spreekt zichzelf bovendien tegen door de, op grond van de in die uitspraak aan de orde zijnde Verordening, opgelegde heffing goed te keuren, terwijl activiteiten ontplooid op sociaal, economisch en technisch gebied op grond van artikel 93 van de Wet op de bedrijfsorganisatie (Wbo) niet tot de verordenende bevoegdheid behoren.

3.2

Het College stelt voorop dat in deze procedures alleen de Verordeningen in geding zijn die zijn genoemd onder 1.1. Appellanten hebben geen gronden aangevoerd die specifiek op die Verordeningen zien. Er is geen reden waarom niet aangesloten kan worden bij de uitspraak van 6 april 2010, en de daarin genoemde eerdere uitspraken. De overweging van het College waarnaar appellanten verwijzen is niet innerlijk tegenstrijdig. Deze overweging houdt niet in dat op grond van artikel 93 Wbo geen beperkingen gelden voor de verordenende bevoegdheid, maar dat voor de beoordeling van de activiteiten die worden ontplooid, waaronder onderzoek, het bredere kader van artikel 71 Wbo geldt.

4.

Appellanten voeren vervolgens aan dat het College heeft miskend dat verweerder zijn bevoegdheden overschrijdt.

Zoals reeds door het College overwogen is de taak van de Productschappen neergelegd in artikel 71 Wbo, waarbij artikel 93 Wbo beperkingen geeft ten aanzien van de onderwerpen die het productschap bij verordening kan regelen. Verweerder komt, binnen die kaders, een ruime mate van vrijheid toe bij het kiezen van de grondslag van de heffing en het opstellen van de uitvoeringsvoorschriften van de heffingsverordening, die het College slechts terughoudend kan toetsen. Aan de heffingsverordening kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel indien, met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, moet worden geoordeeld dat de betreffende uitvoeringsvoorschriften een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kunnen doorstaan. In eerdere uitspraken is reeds geoordeeld dat van strijd met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen geen sprake is. Ook bij dat oordeel kan nu worden aangesloten.

5.

Verder hebben appellanten aangevoerd dat niet is ingegaan op de argumenten ten aanzien van de verstoring van de marktwerking en oneerlijke concurrentie.

Ook die stelling volgt het College niet. In de uitspraak van 6 april 2010, en de daarin genoemde eerdere uitspraken, wordt overwogen dat van de uitschakeling van de nuttige functie van concurrentie niet is gebleken en voorts dat de bevoegdheid van verweerder tot het opleggen van een heffingen niet afhankelijk is van het profijt van de individuele ondernemer van de met de heffing bekostigde activiteiten. Dat de ene ondernemer meer profiteert dan de andere ondernemer is derhalve geen reden de heffingen onrechtmatig te achten.

6.

Het College volgt appellanten evenmin in hun stelling, naar voren gebracht bij brief van 12 juli 2013, dat de opheffing van de Productschappen hun gelijk bewijst, reden waarom de beroepen gegrond moeten worden verklaard. Het is immers de bevoegdheid van de wetgever om terug te komen op eerdere wetgeving. Dat maakt niet dat de eerdere wetgeving of de daarop gebaseerde besluiten onrechtmatig zijn.

7.

Ter zitting hebben appellanten aangevoerd dat verweerder had moeten wachten met het innen van de heffingen tot het College uitspraak zou hebben gedaan op de onderhavige beroepen. Zij hebben het College verzocht te bepalen dat de hoogte van de heffingen, ook in het geval wordt geoordeeld dat verweerder op zich gerechtigd was tot het opleggen daarvan, opnieuw moet worden vastgesteld met aftrek van de kosten voor inning en beslaglegging die, ten onrechte, bij appellanten in rekening zijn gebracht.

Het College overweegt daaromtrent het volgende. Ingevolge artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schorst een bezwaar of een beroep niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij wet of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Van die uitzondering is in dit geval geen sprake. Dat appellanten de heffingen hebben aangevochten bracht voor verweerder dus geen verplichting met zich mee het innen van de heffing uit te stellen. Er is derhalve geen aanleiding voor het College te bepalen, nog los van de vraag op welke grondslag dat zou kunnen, dat het heffingsbedrag moet worden gematigd dan wel dat de eerdergenoemde kosten aan appellanten moeten worden vergoed.

8.

Op grond van het vorenstaande zal het College de beroepen ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.B. van Zutphen, mr. M. Munsterman, en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2014.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. A.G.J. van Ouwerkerk