chauffeurspas
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 15/149 en 15/159
14999
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 18 maart 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening en, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het beroep in de zaak van:
[naam], te [plaats], verzoeker,
en
de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder
(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van appellant met ingang van 5 november 2014 ingetrokken omdat appellant niet aan het verzoek heeft voldaan om een nieuwe Verklaring omtrent gedrag te overleggen.
Bij besluit van 14 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat zijn handtekening onder het bezwaarschrift ontbreekt.
Verzoeker heeft om een voorlopige voorziening verzocht en tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Appellant is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan in beide zaken.
Beslissing:
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellant te vergoeden;
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
Vast staat dat verweerder bij verzoeker geïnformeerd heeft of hij verzoekers brief van 3 december 2014 als bezwaarschrift moest aanmerken. Verweerder heeft met een brief van 16 december 2014 verzoeker vier weken de gelegenheid gegeven om per brief of per email kenbaar te maken of er sprake is van een bezwaarschrift en de gronden aan te vullen. Verzoeker heeft per email laten weten dat sprake was van een bezwaarschrift en deze email voorzien van zijn naam en BSN-nummer. De brief van 3 december 2014 was niet ondertekend en verweerder heeft appellant daarop in zijn brief van 16 december 2014 zijdelings gewezen.
Uit de brief van 16 december 2014 is onvoldoende duidelijk dat een handtekening van verzoeker werd verlangd, en daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet de gelegenheid heeft gehad om het verzuim in de zin van artikel 6:5 van de Awb te herstellen. De bevoegdheid van verweerder om op grond van artikel 6:6 van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, ontbreekt derhalve. Ter zitting heeft verzoeker het bezwaarschrift alsnog ondertekend.
3. Ter zitting heeft verzoeker een nieuwe Verklaring omtrent gedrag overgelegd. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat wanneer deze nieuwe Verklaring omtrent gedrag tijdens de bezwaarfase zou zijn overgelegd, hij het bezwaar gegrond had verklaard en het besluit tot intrekking van de chauffeurskaart had herroepen. Artikel 8:41a van de Awb maant de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. De voorzieningenrechter ziet in dit alles aanleiding om zelf op het bezwaar te beslissen en het primaire besluit te herroepen met bepaling dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.
R.C. Stam G.J.P. Leuverink