ECLI:NL:CBB:2015:136
public
2015-11-11T17:40:27
2015-05-13
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2015-04-23
AWB 13/910
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2015:136
public
2015-05-13T11:34:21
2015-05-13
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2015:136 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-04-2015 / AWB 13/910

te laat onderzoek verrichten naar de aanwezigheid van Salmonella bij leghennen - hoogte van de boete

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/910

20311

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2015 in de zaak van

[naam 1] B.V., te [plaats 1], appellante van een uitspraak van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren (het tuchtgerecht), van

11 oktober 2013, met nummer TTPE 28/2013.

Procesverloop

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van het tuchtgerecht van 11 oktober 2013.

De secretaris van het tuchtgerecht heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 29 januari 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante werd vertegenwoordigd door [naam 2]. De Minister van Economische Zaken (minister) werd vertegenwoordigd door mr. R.B.R. Henke, werkzaam op het ministerie.

Overwegingen

1. De Wet opheffing bedrijfslichamen is op 1 januari 2015 in werking getreden (Stb. 2014, 571 en 576). Ingevolge artikel II, onderdeel D, van deze wet is hoofdstuk II van de Wet op de bedrijfsorganisatie vervallen en daarmee het stelsel van product- en bedrijfschappen opgeheven (zie ook: TK 2013-2014, 33 910, nr. 3, p. 8). Op grond van artikel X van de Wet opheffing bedrijfslichamen is per 1 januari 2015 de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (Wet turbo 2004) ingetrokken. Ingevolge artikel XLVIII, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet opheffing bedrijfslichamen, voor zover hier van belang, is op het hoger beroep tegen uitspraken van de tuchtgerechten van bedrijfslichamen de Wet turbo 2004 van toepassing zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip dat die wet werd ingetrokken, met dien verstande dat in plaats van het bedrijfslichaam wordt gelezen de minister.

2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen (PPE) 2011 (Verordening) draagt de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf of leghennenbedrijf uitoefent er zorg voor dat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op zijn bedrijf aanwezige stalkoppels plaatsvindt door middel van het nemen van monsters, detectie en, in geval van Salmonella, serotypering.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, stelt het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren (Productschap) bij besluit nadere regels vast ten aanzien van – onder meer – de wijze van de monsterneming als bedoeld in artikel 10.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2011 (Hygiënebesluit) neemt de ondernemer de monsters als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Verordening met overschoentjes overeenkomstig Bijlage II, voor de eerste keer als de leghennen een leeftijd van minimaal 22 weken en maximaal 26 weken hebben en vervolgens ten minste één maal per 15 weken.

Het tuchtgerecht heeft appellante wegens overtreding van de artikelen 10, eerste lid en 17, tweede lid, van de Verordening en artikel 4, eerste lid, van het Hygiënebesluit een boete opgelegd van € 1.300,- onvoorwaardelijk, omdat appellante twee maal te laat een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels heeft laten uitvoeren. Het tuchtgerecht baseert zijn uitspraak op het berechtingsrapport van H.G.M. Grolleman en het verhandelde ter zitting. Op grond daarvan oordeelt het tuchtgerecht dat is komen vast te staan dat appellante twee maal niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft zorggedragen voor het onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella van alle op het bedrijf aanwezige stalkoppels. Grolleman rapporteert het volgende:

“Op het pluimveebedrijf van betrokkenen (…) gevestigd aan [de] [adres], [plaats 2] (Kipnummer […]) worden totaal circa 111.000 leghennen gehouden in drie stallen.

(…)

Uit de aan mij ter beschikking gestelde gegevens van de uitgevoerde controle op 21 november 2012 op het bedrijf van betrokkenen en uit de door mij geconstateerde meldingen in de PPE database Kipnet betreffende het uitvoeren van Salmonella onderzoeken op het bedrijf van betrokkenen is het mij, relatant H.G.M. Grolleman, gebleken dat:

• betreffende het koppel met de geboortedatum 10 januari 2012, het eerste onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella pas is uitgevoerd toen de leghennen een leeftijd

van 28 weken en 5 dagen hadden;

• betreffende het koppel met de geboortedatum 2 mei 2012, het eerste onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella pas is uitgevoerd toen de leghennen een leeftijd van 26 weken en 4 dagen hadden.

Bovengenoemde onderzoeken blijken niet conform het gestelde in artikel 4 lid 1. van het Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2011 te zijn uitgevoerd. In totaal betreft het twee afzonderlijke overtredingen die zijn geconstateerd.”

In het berechtingsrapport is de volgende verklaring van [naam 3] van

[naam 4] opgenomen:

“Wij regelen de monsternames op het leghennenbedrijf (…) in [plaats 2]. (...) Ik weet dat het

recentelijk een keer is voorgekomen dat een monstername enkele dagen te laat is uitgevoerd. Er is toen ergens iets scheef gelopen. Ik wist niet dat dit al een keer eerder was gebeurd. Ik zal ervoor zorgen dat in het vervolg de onderzoeken op de juiste tijdstippen worden uitgevoerd.”

Op de zitting van het tuchtgerecht verklaarde [naam 2]:

“Wat er in het berechtingsrapport staat over te late monsternames klopt. Ik kan echter niet alles zien. Ik heb de heer [naam 3] hierop al aangesproken en ik zal dat nog eens doen. Ik vind ook dat hij hier had moeten zitten, hij begeleidt immers het bedrijf. Ik weet dat ik daarnaast wel zelf verantwoordelijk blijf.”

3. Bij het vaststellen van de hoogte van de boete heeft het tuchtgerecht ermee rekening gehouden dat appellante de voorschriften twee keer heeft overtreden: zij was eenmaal twee weken en vijf dagen en eenmaal vier dagen te laat met monsterneming. Voorts heeft het tuchtgerecht rekening gehouden met het feit dat appellante een bedrijf van zeer grote omvang heeft. Daarbij heeft het tuchtgerecht overwogen dat het appellante op 28 juni 2010 een geldboete heeft opgelegd waarbij voor het voorwaardelijk deel ervan een proeftijd van twee jaar gold, maar ten aanzien waarvan het Productschap het tuchtgerecht niet heeft verzocht om tenuitvoerlegging ervan.

4. Appellante keert zich alleen tegen de hoogte van de boete. Zij wijst erop dat het enige dat in het kader van het monsternemen had moeten gebeuren was – tijdig – met overschoentjes door de stallen lopen. Mede gelet hierop is onbegrijpelijk dat de boete extra hoog is omdat zij een bedrijf zou hebben van zeer grote omvang, aldus appellante.

5. Het College acht de door het tuchtgerecht opgelegde boete van € 1.300,- – geheel onvoorwaardelijk – gelet op de aard, ernst en omvang van de gepleegde overtreding, zoals die uit de in deze uitspraak vermelde feiten en omstandigheden blijkt, passend en geboden. De regelgever heeft met de overtreden voorschriften beoogd om besmetting van pluimvee met Salmonella en Campylobacter en daarmee gezondheidsrisico’s voor consumenten te voorkomen dan wel terug te dringen. Hoe meer leghennen worden besmet, hoe meer consumenten gezondheidsproblemen hiervan kunnen ondervinden. In dat licht heeft het tuchtgerecht terecht met – onder meer – de omvang van het bedrijf van appellante rekening gehouden, welke omvang met 110.000 leghennen als zeer groot kan worden beschouwd. De omstandigheid dat de hier vereiste monsterneming een relatief eenvoudige activiteit is, doet niet ter zake. Het gegeven dat appellante de bemonstering had uitbesteed laat onverlet dat het voor haar verantwoordelijkheid blijft dat de bemonstering correct wordt uitgevoerd.

6. Deze uitspraak berust mede op hoofdstuk V Wet turbo 2004.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.E. Doolaard en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2015.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. S.D.M. Michael