ECLI:NL:CBB:2015:415
public
2015-12-31T10:32:12
2015-12-28
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2015-12-11
15/931
Mondelinge uitspraak
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Wet dieren 6.2
Regeling dierlijke producten 2.4
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2015:415
public
2015-12-28T12:51:03
2015-12-31
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2015:415 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 11-12-2015 / 15/931

Maatregel opgelegd aan kippenslachterij wegens verontreiniging van kipkarkassen.

Punten 5 en 8 Verordening (EG) 853/2004

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/931

11350

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Dans),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een maatregel opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling Dierlijke Producten, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet Dieren.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. J.D. Prenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan verzoekster

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 980,-.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Wegens overtreding van artikel 2.4, eerste lid, onder d, van de Regeling Dierlijke Producten, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van de Wet Dieren, heeft verweerder aan verzoekster de maatregel opgelegd om haar procedures inzake het HACCP-systeem aan te passen en daarnaast verzoekster verplicht om de bandsnelheid verlagen van 12000 tot 9000 kuikens per uur. Aan het opleggen van deze maatregel liggen drie rapporten van bevindingen ten grondslag. Uit deze rapporten blijkt dat inspecteurs van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) bij het dagelijkse toezicht op het bedrijf van verzoekster op 2, 4 en 7 december 2015, binnen tien opeenvolgende slachtshift, verontreinigingen van pluimveekarkassen hebben geconstateerd, waarmee gehandeld is in strijd met de punten 5 en 8 van bijlage III, sectie II, hoofdstuk VI van Verordening (EG) 853/2004 (Verordening). Op 2 en 4 december 2015 is op karkassen bandsmeer aangetroffen en op 7 december voerresten.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet alle van de geconstateerde verontreinigingen zijn als bedoeld in de Verordening. In het midden gelaten of de aangetroffen voerresten aan te merken zijn als zodanige verontreiniging, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bandsmeer geen verontreiniging in de zin van de Verordening. Er is dus niet voldaan aan het in het Projectprotocol van 24 november 2015 neergelegde interventiebeleid dat tot het opleggen van een maatregel wordt overgegaan als binnen tien opeenvolgende slachtshifts drie overtredingen zijn geconstateerd. Gelet hierop is het opleggen van een maatregel niet in overeenstemming met verweerders beleid en zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar niet gehandhaafd worden. Daarnaast merkt de voorzieningenrechter op dat, als de aangetroffen verontreinigen wel alle drie als verontreinigingen in de zin van de Verordening aan te merken zijn, tussen de eerste en de derde overtreding meer dan drie maanden is verstreken, zodat ook op dat punt niet is voldaan aan het Projectprotocol.

4. De voorzieningenrechter stelt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.B. van Zantvoort