procesbelang, aanmerkelijke marktmacht, AMM
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 15/217
13950
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 16 december 2015 in de zaak tussen
Pro Juventus Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie, te Wezep, appellante
(gemachtigde: mr. Y.G.I. Verseveld),
en
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Procesverloop
Appellante heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerster van 12 februari 2015 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
2. Appellante heeft op 13 maart 2014 een klacht ingediend bij verweerster over klachtwaardig handelen van Achmea Zorgverzekeringen N.V. (Achmea) bij de inkoop van geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren. Appellante en Achmea hebben in 2013 en 2014 geen contract gesloten. Volgens appellante beschikt Achmea over aanmerkelijke marktmacht (AMM) en misbruikt Achmea deze machtspositie door excessieve kortingen te bedingen bij appellante. Tevens betoogt appellante dat Achmea niet aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 11 Zorgverzekeringswet (Zvw) kan voldoen doordat zij geen contract met appellante heeft gesloten. Appellante heeft daarbij verzocht om op grond van artikel 76, in samenhang met artikel 48, eerste lid, onder e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) aan Achmea een verplichting op te leggen om alsnog onder redelijke voorwaarden te voldoen aan het verzoek van appellante tot het sluiten van een overeenkomst op of ten behoeve van de zorginkoopmarkt.
Verweerster heeft het verzoek van appellante op 31 juli 2014 afgewezen omdat na gesprekken met appellante en Achmea niet aannemelijk is geworden dat de mededinging wordt geschaad door het handelen van Achmea. Verweerster heeft het inkoopbeleid van Achmea bestudeerd. Niet gebleken is dat het door Achmea vastgestelde inkoopbeleid 2014 discriminatoir of niet transparant is. Daarnaast hoeft inkoopmacht van Achmea richting zorgaanbieders niet problematisch te zijn zolang de voordelen worden doorgegeven aan de consument, in dit geval de verzekerde bij Achmea. Uit de laatste marktscan Zorgverzekeringsmarkt 2013 komt naar voren dat sprake is van een voldoende concurrerende zorgverzekeringsmarkt, zodat zorgverzekeraars de voordelen van inkoop zullen moeten doorgeven aan hun verzekerden. Appellante noch Achmea heeft gesteld dat de zorginhoudelijke kwaliteit van de zorgverlening door appellante of andere zorgverleners in de regio achteruit gaat door het niet afsluiten van een contract tussen appellante en Achmea.
Omdat er zich geen mededingingsproblemen voordoen en een onderzoek naar een AMM-positie de materiële beoordeling van de zaak niet beïnvloedt, heeft verweerster de vraag of er sprake is van een AMM-positie in het midden gelaten. Verweerster heeft verder meegedeeld dat zij de klacht over het mogelijk niet voldoen aan de zorgplicht door Achmea, verder met Achmea behandelt. Volgens verweerster kan appellante in het kader van een AMM-verzoek niet opkomen tegen de uitvoering van de zorgplicht door Achmea. Verweerster heeft in het bestreden besluit haar weigering om aan Achmea een AMM-verplichting op te leggen gehandhaafd.
3. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft het College verzocht om zich eerst uit te spreken over het procesbelang van appellante, alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen.
4. Volgens verweerster heeft appellante geen procesbelang meer. AMM-verplichtingen kunnen alleen naar de toekomst werken en kunnen geen betrekking hebben op het verleden. Dit betekent dat de gedragingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, niet met een AMM-maatregel kunnen worden rechtgezet. Voor het jaar 2014 kan een AMM-maatregel appellante niet baten. Voor 2015 kan een AMM-maatregel appellante evenmin baten, omdat de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen met ingang van 1 januari 2015 is overgeheveld van de Zvw naar de Jeugdwet. De gemeenten zijn verder verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet en sluiten in dat kader overeenkomsten met aanbieders van jeugd-GGZ zoals appellante. Door deze stelselwijziging hebben zorgverzekeraars niet langer een rol bij de zorginkoop. Verweerster kan alleen aan zorgaanbieders of zorgverzekeraars een AMM-verplichting opleggen, niet aan gemeenten. Daarom kan volgens verweerster het rechtsgevolg dat appellante nastreeft, zijnde het verplichten van Achmea om met appellante onder redelijke voorwaarden een overeenkomst aan te gaan, niet meer bewerkstelligd worden.
5. Appellante stelt dat zij niettemin belang heeft bij een uitspraak van het College. Doordat appellante in 2014 geen contract heeft kunnen afsluiten, heeft appellante aanzienlijke opbrengsten misgelopen en dus schade geleden. Appellante wil deze schade op Achmea verhalen en daarom is het voor haar van belang dat komt vast te staan dat Achmea ten onrechte geweigerd heeft met haar een overeenkomst te sluiten. Daarnaast verleent appellante niet alleen psychiatrische zorg aan kinderen en jeugdigen, maar ook aan volwassenen, zodat het argument dat zorgverzekeraars vanaf 2015 geen rol meer spelen bij de inkoop van zorg bij appellante niet op gaat. Daarnaast wijst appellante op maatschappelijk onrust over het zorginkoopproces. Verder merkt zij op dat verweerster haar procesbelang door de trage afhandeling van de besluitvorming verloren heeft laten gaan. Appellante heeft op 13 maart 2014 haar klacht bij verweerster ingediend. Op 12 maart 2015 heeft verweerster haar beslissing op bezwaar genomen. Verweerster had haar beslissingen eerder moeten nemen en nu verweerster dat niet heeft gedaan, heeft verweerster niet het recht zich erop te beroepen dat appellante geen procesbelang meer heeft.
6. Tot en met 31 december 2014 was de jeugd-GGZ geregeld in de Zvw voor behandelingen korter dan een jaar en in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor behandelingen langer dan een jaar. Zorgverzekeraars hadden op basis van artikel 11 Zvw een zorgplicht jegens hun verzekerden. Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet per 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de jeugd-GGZ en maakt de jeugd-GGZ geen onderdeel meer uit van het basispakket van de zorgverzekering. Zorgverzekeraars hebben daardoor geen rol meer bij de zorginkoop. Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet is de mogelijkheid voor verweerster vervallen om aanwijzingen in verband met een AMM-positie op de markt voor jeugd-GGZ op te leggen. Het College is daarom van oordeel dat verweerster terecht heeft gesteld dat het rechtsgevolg dat appellante nastreeft, zijnde het verplichten van Achmea om met appellante onder redelijke voorwaarden een overeenkomst aan te gaan, niet meer bewerkstelligd kan worden.
7. Het College volgt appellante niet in haar stelling dat zij nog wel belang bij een uitspraak heeft in verband met de zorg die zij aan volwassenen verleent, nu appellante haar verzoek van 13 maart 2014 louter op de jeugd‑GGZ heeft gericht. Het door haar van de NZa gevraagde besluit zou dus uitsluitend daarop betrekking kunnen hebben.Ook het financieel belang dat appellante stelt te hebben levert geen procesbelang op, omdat indien het College zou oordelen dat verweerster op grond van artikel 48 Wmg in samenhang met artikel 76 Wmg Achmea een AAM-verplichting had moeten opleggen, dit niet met terugwerkende kracht voor Achmea verplichtingen in het leven zou roepen.
Ook het argument van appellante dat verweerster haar procesbelang door tijdsverloop verloren heeft laten gaan, kan niet slagen. Ten eerste omdat dit niet tot de conclusie kan leiden dat appellante toch procesbelang heeft en ten tweede omdat appellante verweerster op grond van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in gebreke had kunnen stellen.
Gelet hierop is het College van oordeel dat appellante, tegenover de stelling van verweerster dat appellante geen procesbelang heeft, geen belang heeft aangewezen dat voortzetting van dit geding kan rechtvaardigen.
8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.
w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder