Wet personenvervoer 2000. Artikel 10, eerste lid onder d, Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten. Intrekking chauffeurskaart wegens niet overleggen verklaring omtrent het gedrag (VOG)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 14/373
14999
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2015 in de zaak tussen
[naam 1], te [plaats], appellant
(gemachtigde: mr. S. Usanmasz),
en
de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder
(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).
Procesverloop
Bij besluit van 5 mei 2014 (primaire besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van appellant voor het verrichten van taxivervoer met ingang van 7 mei 2014 ingetrokken.
De voorzieningenrechter van het College heeft bij uitspraak van 9 juli 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:254) het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het primaire besluit afgewezen.
Bij besluit van 12 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Appellant werd tevens bijgestaan door [naam 2], tolk.
Overwegingen
1. Het College neemt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten als vaststaand aan.
Aan appellant is een chauffeurskaart verstrekt met een geldigheidsduur tot 2 mei 2016.
Verweerder heeft een melding ontvangen van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) dat er twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van appellant, omdat uit informatie van de Justitiële InformatieDienst naar voren is gekomen dat appellant recentelijk met justitie in aanraking is gekomen. Naar aanleiding van deze melding is appellant op 7 maart 2014 verzocht om binnen vier weken een nieuwe verklaring omtrent het gedrag (VOG) te overleggen. De staatssecretaris heeft op 26 maart 2014 meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag van een nieuwe VOG af te wijzen, omdat – samengevat weergegeven – in de periode 2010-2013 sprake is van twaalf overtredingen die alle direct verband houden met de werkzaamheden van appellant als taxichauffeur. Appellant heeft binnen de gestelde termijn geen VOG kunnen overleggen, waarop verweerder de chauffeurskaart heeft ingetrokken.
2. In artikel 82, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp2000) worden de documenten genoemd die overgelegd dienen te worden bij een aanvraag om een chauffeurskaart. Onder c. wordt als verplicht over te leggen document vermeld “een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden”.
In artikel 82, zesde lid, van het Bp2000 is bepaald dat verweerder bij een vermoeden dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG, kan verlangen dat de bestuurder opnieuw verzoekt om afgifte van een VOG.
In artikel 10 van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten (de Regeling) zijn de gronden voor het intrekken van een chauffeurskaart neergelegd. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder d, van dat artikel wordt de chauffeurskaart ingetrokken indien de bestuurder niet of niet tijdig een nieuwe VOG overlegt.
3. Appellant stelt dat de begane overtredingen administratieve sancties betreffen en niet van zodanig ernstige aard zijn dat deze een belemmering vormen voor uitoefening van de functie van taxichauffeur. Hij wijst erop dat de openbare orde en veiligheid van de maatschappij nooit in gevaar zijn geweest. Gelet hierop bestaat volgens hem onvoldoende grondslag om de chauffeurskaart in te trekken.
Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift benadrukt dat appellant herhaaldelijk overtredingen heeft gepleegd waaruit blijkt dat hij zich weinig gelegen laat aan de regels die gelden voor het aanbieden en verrichten van taxivervoer. Verweerder begrijpt de beslissing van de staatssecretaris om geen VOG te verstrekken dan ook goed. Daarnaast wijst verweerder er nogmaals op dat hij gegeven het feit dat appellant geen nieuwe VOG kan overleggen, hij gehouden is de chauffeurskaart in te trekken.
4. Het College overweegt dat deze grond zich in feite richt tegen verweerders weigering om een VOG te verstrekken. Dat besluit staat in deze procedure niet ter beoordeling. Ter zitting is overigens gebleken dat het beroep inzake de weigering een VOG af te geven inmiddels door de rechtbank ongegrond is verklaard. Verweerder was op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Regeling gehouden om de chauffeurskaart in te trekken indien niet of niet tijdig een VOG wordt overgelegd. De vraag of appellant de openbare orde en veiligheid heeft geschonden, speelt bij de beoordeling van de intrekking van de chauffeurskaart geen rol.
5. Appellant stelt verder dat verweerder geen juiste belangenafweging heeft gemaakt door het belang van de maatschappij te laten prevaleren boven het belang van appellant. Appellant is kostwinner en zit door het intrekken van de chauffeurskaart zonder werk. Hij is bovendien bang dat zijn gezondheid achteruit gaat als hij niet kan werken. Verweerder had op grond van de aangevoerde bijzondere omstandigheden gebruik kunnen maken van de discretionaire bevoegdheid om af te wijken van zijn beleid.
Verweerder stelt hier tegenover dat hij gehouden was om de chauffeurskaart in te trekken nu binnen de gestelde termijn geen nieuwe VOG is overgelegd.
6. Zoals onder 4 reeds is overwogen, was verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Regeling gehouden om de chauffeurskaart in te trekken. Aan een belangenafweging komt verweerder dan ook niet toe. Van beleid, waarvan verweerder zou kunnen afwijken, is geen sprake.
7. Gezien het vorenstaande is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester in aanwezigheid van mr. N.W.A. Verrijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 4 maart 2015.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. N.W.A. Verrijt