procesbelang, melkveefosfaatreferentie
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 15/326
16600
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2016 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: D. van der Wielen),
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma)
Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de melkveefosfaatreferentie (MVFR) voor appellante vastgesteld op 0 kg.
Bij besluit van 14 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Bij het primaire besluit heeft verweerder de MVFR van appellante vastgesteld op 0 kg fosfaat. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen proces-belang heeft bij een beoordeling van haar bezwaar. Ook als verweerder de door appellante genoemde aantallen voor het melk- en jongvee zou hanteren, zou de MVFR namelijk uitkomen op 0 kg fosfaat.
2. Appellante is het niet eens met dit besluit. Zij vindt dat verweerder de juiste aantallen moet hanteren. Zij is bang dat de onjuiste aantallen die zijn genoemd in het primaire besluit anders een eigen leven gaan leiden en dat zij hiermee bij een besluit in de toekomst zal worden geconfronteerd. Ter illustratie van haar betoog dat de overheid in haar geval regelmatig verkeerde gegevens hanteert, heeft zij stukken overgelegd van onder andere de inbeslagname van kalveren van haar bedrijf en een reactie op het ontbreken van een vermelding van haar zienswijze over het Plan van Aanpak Stikstof in de Nota van Antwoord.
In het verweerschrift heeft verweerder de MVFR berekend aan de hand van de door appellante genoemde dieraantallen, te weten:
53,8 melkkoeien (categorie 100)
35,3 stuks jongvee (categorie 101)
41,2 stuks jongvee (categorie 102)
De uitkomst van de berekening is dat de MVFR 0 kg fosfaat bedraagt.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij de gegevens van appellante met betrekking tot de stallijsten en gegevens uit het I&R-systeem heeft bestudeerd en dat hij er op grond van deze gegevens vanuit gaat dat de door appellante verstrekte aantallen, zoals vermeld onder 3.1, juist zijn. Onduidelijk is waarom in het primaire besluit andere aantallen staan.
4. Gelet op de door verweerder verstrekte informatie gaat ook het College ervan uit dat de door appellante verstrekte aantallen zoals vermeld onder 3.1 juist zijn. Appellante heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het primaire besluit voor de berekening van de MVFR verkeerde gegevens heeft gebruikt. Dat verandert echter niets aan het eindresultaat, de MVFR blijft 0 kg. Dat betekent dat verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat appellante er niet op vooruit zou gaan als de gegevens voor de berekening van de MVFR overeenkomstig haar opgave zouden worden aangepast. De onjuiste gegevens zijn verder, ook in de toekomst, niet van belang. Daarom is het beroep ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016.
w.g. H.B. van Gijn w.g. X.M. Born