Geen besluit; niet gericht op rechtsgevolg
Artikel 1:3, eerste lid, Awb
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 14/116
5101
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2016 in de zaak tussen
V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: ir. S. Boonstra),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de brief van 5 november 2013 niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016.
Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Bij brief van 5 november 2013 heeft verweerder aan appellante een overzicht gegeven van de nog te ontvangen en de openstaande bedragen. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In reactie hierop heeft verweerder de in de brief van 5 november 2013 genoemde bedragen op 10 en 19 december 2013 telefonisch toegelicht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door appellante nog te ontvangen en te betalen bedragen nader toegelicht en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 5 november 2013 enkel een administratieve afhandeling bevat en daarom geen besluit is.
2. De vraag of er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van belang omdat de rechtsbescherming door de bestuursrechter alleen mogelijk is als het handelen van een bestuursorgaan als een besluit te kwalificeren is. Indien een bestuursorgaan slechts inlichtingen verstrekt is er geen sprake van een besluit waartegen bezwaar gemaakt kan worden. Er is pas sprake van een besluit indien de beslissing van een bestuursorgaan een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt en op schrift is gesteld. Van belang is of de mededeling van het bestuursorgaan rechtsgevolgen heeft. Een handeling heeft rechtsgevolgen als er bijvoorbeeld een bevoegdheid ontstaat, of als door de handeling een verplichting of een recht in het leven wordt geroepen.
3. De brief van 5 november 2013 bevat, anders dan de in die brief gebruikte bewoordingen suggereren, geen daadwerkelijke verrekening. Uit de telefoonnotities blijkt dat verrekening van de door appellante te ontvangen bedrijfstoeslag 2012, inclusief wettelijke rente, met de daarop toegepaste randvoorwaardenkorting al heeft plaatsgevonden. De brief van 5 november 2013 is slechts een mededeling van administratieve aard en is dus niet gericht op enig rechtsgevolg. Er is dus geen sprake van een besluit. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4. Appellante voert verder aan dat de redelijke termijn is overschreden. Het College overweegt dat het hier gaat om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt vóór 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (ECLI: NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan drie jaar. Het bezwaar van appellante dateert van 21 november 2013. De hiervoor bedoelde termijn van drie jaar is dus nog niet overschreden op het moment van deze uitspraak. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.
w.g. A. Venekamp w.g. M.B. van Zantvoort