Betalingsrechten 2015. Opslag en autobanden geen overheersend grasland. Sloot.
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/510
5111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2017 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: C. Blokland),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniëls en drs. J.H. Dijk).
Procesverloop
Bij besluiten van 15 december 2015 en 29 december 2015 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan appellant op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Regeling) respectievelijk de betalingsrechten toegewezen en de uitbetaling van de betalingsrechten en vergroeningsbetaling toegekend voor het jaar 2015.
Bij besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. In het kader van de toewijzing van de betalingsrechten 2015 van appellant heeft verweerder bij het primaire besluit van 15 december 2015 de subsidiabele oppervlakte van de percelen 3 en 4, opgegeven voor respectievelijk 0,30 ha en 1,17 ha, goedgekeurd voor respectievelijk 0,00 ha en 1,15 ha. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.
2. Volgens appellant was perceel 3 in 2015 landbouwkundig in gebruik en was de sloot op perceel 4 gedempt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op de luchtfoto’s van perceel 3 is te zien dat sprake is van opslag, verrommeling en kale stukken en dat het afgewezen deel van perceel 4 een sloot is.
Naar het oordeel van het College heeft verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen correct vastgesteld. Het zuidwestelijk deel van perceel 3 werd ten tijde van belang gebruikt als (tijdelijke) opslagplaats van enkele silo’s en een landbouwkar. Landbouwwerktuigen hebben daar diepe sporen getrokken. De luchtfoto’s uit 2015 laten zien dat het zuidwestelijk deel van het perceel grotendeels kaal is en op het resterende deel, tussen het groen, bevinden zich donkere plekken. Het College ziet op de luchtfoto van 18 april 2015 op dat deel van het perceel duidelijk autobanden liggen. De luchtfoto van 11 september 2015 is te onduidelijk om de toestand op het perceel goed te kunnen beoordelen. Nu appellant ter zitting zelf uitdrukkelijk heeft ontkend dat op 18 april 2015 verspreid over het perceel autobanden lagen, ziet het College echter onvoldoende reden om aan te nemen dat de situatie op 11 september 2015 afweek van die op 18 april 2015. De door appellant overgelegde foto’s, waarop geen autobanden te zien zijn, geven de situatie in 2016 (en niet die in 2015) weer en zijn om die reden niet maatgevend. Zodoende houdt het College het ervoor dat de luchtfoto van 18 april 2015 representatief is voor de staat van het perceel in 2015. Daarvan uitgaande bestrijken de opslag en kale plekken een zodanig deel van de opgegeven oppervlakte van het perceel, dat het toen geen landbouwgrond (grasland) betrof.
De afgekeurde oppervlakte van perceel 4 is op de luchtfoto van 18 april 2015 zichtbaar als een bruine strook aan de noordzijde van het perceel. Deze strook staat, anders dan de door verweerder goedgekeurde bruin gekleurde delen op het perceel, in open verbinding met de noordelijk gelegen sloot. De strook is naar het oordeel van een College zelf ook een sloot.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.
w.g. R.C. Stam w.g. M.J. Boon