ECLI:NL:CBB:2017:162
public
2017-05-17T13:52:55
2017-05-17
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2017-05-08
16/518
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2017:162
public
2017-05-17T13:52:27
2017-05-17
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2017:162 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 08-05-2017 / 16/518

Subsidiabele landbouwgrond, basaltblokken, verkeerskundige of infrastructurele funtie, luchtfoto's kale gedeeltes, landbouwactiviteiten van ondergeschikt belang. Boete, geen mogelijkheid van een waarschuwing. Verjaren van het recht van verweerder om terug te vorderen; 4 jaar

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/518

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: ing. J. Voets),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen en drs. J. Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: Regeling) voor het jaar 2012 opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 4 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2017.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College stelt voorop dat het primaire besluit is genomen na 1 januari 2015. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 16 maart 2017 ECLI:NL:CBB:2017:90) blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Uit dit oordeel volgt dat verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

2. Appellant heeft op 18 april 2012 een Gecombineerde Opgave 2012 bij verweerder ingediend. Hij heeft 32,25 ha opgegeven voor uitbetaling. Bij besluit van 8 december 2012 heeft verweerder 32,09 ha in aanmerking genomen voor uitbetaling en voor 2012 een bedrijfstoeslag van € 20.899,66 toegekend.

3. Naar aanleiding van een controle heeft verweerder bij het primaire besluit de goedgekeurde oppervlakte van meerdere percelen lager vastgesteld. Perceel 1 is geheel afgekeurd. De totale in aanmerking genomen oppervlakte is vastgesteld op 28,28 ha. Dit heeft geleid tot toekenning van een bedrijfstoeslag voor 2012 van € 13.644,28 na aftrek van een korting van € 8.115,64 in verband met een afwijking van de oppervlakte van 3,81 ha (€2.705,21) en een sanctie van twee maal die oppervlakte (€ 5.410,43).

4.1

Appellant voert aan dat verweerder perceel 1 ten onrechte heeft afgekeurd. Dit perceel voldoet wel aan de eisen om als subsidiabele oppervlakte te worden aangemerkt. Het is immers natuurlijk grasland en voldoet aan de eisen van de goedgekeurde gewascode 3718. Dat het perceel een dijk is, doet geen afbreuk aan het landbouwkundig gebruik ervan. Veel andere dijken worden wel aangemerkt als landbouwkundige grond. Het gebruik als dijk belemmert het landbouwkundig gebruik niet.

4.2

In artikel 34, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009), zoals deze ten tijde en voor zover hier van belang gold, is bepaald dat de steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling aan landbouwers wordt toegekend na activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Onder subsidiabele hectare wordt op grond van het tweede lid van artikel 34 verstaan: om het even welke landbouwgrond van het bedrijf (…), die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit (…). De betrokken hectaren moeten op om het even welk moment in een kalenderjaar aan de subsidialiteitsvoorwaarde voldoen.

4.3

Gezien de luchtfoto’s en de foto’s ter plaatse, die zich in het dossier bevinden en die ter zitting zijn getoond, is het College van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat perceel 1 niet is aan te merken als subsidiabele landbouwgrond.

Uit de foto’s heeft verweerder terecht afgeleid dat perceel 1 een dijkverzwaring met basaltblokken betreft met een hoofdzakelijk verkeerskundige of infrastructurele functie. Op de luchtfoto’s zijn de basaltblokken te zien. Vergeleken met het naastgelegen grasperceel ziet het perceel er kaal en verdord uit. Dat beeld wordt bevestigd door de foto’s ter plaatse waarop ook stenen te zien zijn. Dat er gras en groene gedeeltes tussen de stenen en kale gedeeltes is te zien en op het perceel ook landbouwactiviteiten plaatsvinden, maakt niet dat het landbouwgrond is. Verweerder heeft zich gezien de luchtfoto’s terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik voor landbouwactiviteiten ondergeschikt is. Hetgeen appellant in dit kader verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

5.1

Voorts voert appellant aan dat hem ten onrechte een boete is opgelegd. Een waarschuwing was volgens appellant op zijn plaats geweest. Daarbij komt dat de opgegeven oppervlakte van dit perceel jaar op jaar is goedgekeurd en betalingsrechten zijn uitgekeerd. Bovendien is gebleken dat voor het jaar 2015 verweerder voor perceel 1 4,14 ha heeft goedgekeurd, terwijl appellant 0,19 ha had opgegeven.

5.2

Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 20 november 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:451) en 3 maart 2016 (ELCI:NL:CBB:2016:157) is verweerder gehouden een korting toe te passen door de steun te berekenen op basis van de geconstateerde oppervlakte verminderd met tweemaal het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, aangezien dat verschil meer dan 3% maar minder dan 20% bedraagt. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft verweerder dus niet de mogelijkheid om eerst een waarschuwing te geven.

Op grond van artikel 73 van Verordening 1122/2009 blijft de korting achterwege als de landbouwer feitelijk de juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins bewijst dat hem geen schuld treft. Daarvan is naar het oordeel van het College niet gebleken.

5.3

Met het betoog dat appellant het als misleidend heeft ervaren dat perceel 1 na drie jaar ineens door verweerder is afgekeurd, doet hij een beroep op verjaring van het recht van verweerder om tot terugvorderen over te gaan. Het College is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Het College wijst naar zijn uitspraak van 16 maart 2017 (ELCI:NL:CBB: 2017:90) waarin in rechtsoverweging 3.2 is geoordeeld dat er een verjaringstermijn van vier jaar geldt vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan. Het College heeft geen aanwijzingen voor het oordeel dat de hier aan de orde zijnde onregelmatigheid moet worden aangemerkt als een voortgezette onregelmatigheid, zodat het College ervan uitgaat dat sprake is van een eenmalige onregelmatigheid. De verjaringstermijn bij een eenmalige onregelmatigheid in de situatie zoals hier aan de orde, waarin schending van het Unierecht is ontdekt na het ontstaan van het nadeel, begint te lopen vanaf het bestaan van de onregelmatigheid. Dat wil zeggen vanaf het ogenblik waarop zowel het handelen of nalaten van een marktdeelnemer dat het Unierecht schendt, als de benadeling van de begroting van de Unie zich heeft voorgedaan. Aangezien tussen de Gecombineerde Opgave 2012 van appellant op 18 april 2012 en het besluit van 22 oktober 2015 minder dan vier jaar is gelegen, is van een verjaring van het recht op terugvordering geen sprake.

5.4

Tot slot staat in deze procedure niet het besluit van verweerder over de Gecombineerde Opgave van 2015 van appellant ter discussie. Hetgeen appellant daarover heeft aangevoerd, zal het College dan ook niet beoordelen.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. P.M. Beishuizen