Verzoek om teruggave van meegevoerde en opgeslagen honden en katten. Verweerder heeft op dezelfde dag bij onderscheiden besluiten een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom opgelegd. Voor zover verzoeksters bezwaar geacht kan worden ook gericht te zijn geweest tegen de last onder bestuursdwang, kan hetgeen zij tegen dit besluit heeft aangevoerd naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter er niet toe leiden dat dit besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek derhalve af.
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 17/421
11351
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Biemond),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2017 (primair besluit I) heeft verweerder aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren.
Bij besluit van eveneens 9 maart 2017 (primair besluit II) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren.
Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder de op 16 maart 2017 gedane vaststelling dat niet is voldaan aan de last onder bestuursdwang op schrift gesteld.
Verzoekster heeft tegen primair besluit II bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is verschenen, bijgestaan door C. de Jong en B. van Rooij.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt tot de teruggave van verscheidene honden en katten die op 16 maart 2017 door verweerder zijn meegevoerd en opgeslagen vanwege niet-naleving van de bij primair besluit I opgelegde maatregelen. Verzoekster verzoekt om teruggave van zes van de meegevoerde honden en drie van de meegevoerde katten. Verzoekster stelt dat zij voor twee honden al een nieuwe baas had gevonden en dat een van de andere honden niet van haar, maar van een kennis uit de Verenigde Staten was. Verzoekster is doende zich op een locatie buiten Nederland te vestigen waar meer dan voldoende ruimte is om in ieder geval drie van de honden en drie van de katten te huisvesten. Verzoekster betwist niet dat verweerder een last onder bestuursdwang heeft mogen opleggen, maar stelt dat verweerder aan haar een te korte termijn heeft gegeven om te kunnen voldoen aan de bij primair besluit I opgelegde maatregelen. De bij brief van 23 maart 2017 aangezegde kosten van € 5.400,-- zijn te hoog en door de teruggave van de meegevoerde dieren afhankelijk te stellen van betaling van een dergelijk bedrag maakt verweerder misbruik van recht.
3. Volgens verweerder heeft verzoekster enkel bezwaar gemaakt tegen primair besluit II en niet tegen primair besluit I. Aangezien de dieren op grond van primair besluit I zijn meegevoerd, staat de rechtmatigheid daarvan niet ter discussie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de gedetailleerde toezichtrapporten van de hercontrole van 16 maart 2017, de daarbij behorende foto’s en de veterinaire verklaring blijkt dat niet is voldaan aan de last onder bestuursdwang. Verweerder heeft voorts wel degelijk rekening gehouden met het gegeven dat enkele honden op zeer korte termijn een nieuwe baas zouden krijgen. Blijkens het toezichtrapport van de hercontrole zijn drie honden tijdelijk bij de buurvrouw van verzoekster gehuisvest met het oog op plaatsing bij een nieuwe baas. Ten aanzien van de drie (andere) honden waarvan verzoekster ter zitting bij de voorzieningenrechter heeft gesteld dat zij naar een nieuwe baas zouden gaan, respectievelijk eigendom zijn van een kennis in de Verenigde Staten, betoogt verweerder dat verzoekster haar standpunt niet nader (met stukken) heeft onderbouwd.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de (eventuele) kosten voor het toepassen van bestuursdwang in de onderhavige procedure niet ter discussie staan, aangezien verweerder (nog) geen kostenbesluit heeft genomen. Enkel de rechtmatigheid van de bij primair besluit I opgelegde last onder bestuursdwang kan in deze procedure ter beoordeling staan. Voor zover verzoeksters bezwaar geacht kan worden ook gericht te zijn tegen primair besluit I, kan hetgeen verzoekster tegen dit besluit heeft aangevoerd niet leiden tot de gerechtvaardigde verwachting dat dit besluit in de bezwaarfase geen stand zal houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek derhalve af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. A.N. Vroege, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2017.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. A.N. Vroege