Plantenziektenwet. Besluit tot aanzegging van maatregelen op grond van het Besluit bestrijding schadelijke organismen.
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 16/592
32103
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. J. Zwiers),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. drs. P.J. Kooiman en ing. M.J. van Sabben).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant in verband met aantasting van pootaardappelen op zijn bedrijf door Meloidogyne fallax (wortelknobbelaaltje) een aantal maatregelen aangezegd om de verspreiding van dit organisme te voorkomen.
Bij besluit van 18 mei 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder het door appellant gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Op 28 januari 2016 heeft een keurmeester van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaigoed en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) een partij pootaardappelen op het bedrijf van appellant gekeurd. De partij is door appellant aangeboden met het oog op een keuring als bedoeld in de Zaaizaad- en Plantgoedwet. Bij de keuring was de zoon van appellant aanwezig. Appellant was zelf niet aanwezig. De keurmeester heeft ten tijde van de keuring een monster genomen, dat positief is getest op wortelknobbelaaltjes.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder ten aanzien van de partij (ras Innovator, NAK perceel […] -3) aangezegd dat deze moet worden afgezet voor industriële verwerking binnen Nederland, voor rechtstreekse consumptie op de Nederlandse markt of als veevoer voor stalvoedering binnen Nederland. Het besluit is genomen op grond van de artikelen 3 en 4 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Bbso), dat krachtens de Plantenziektenwet is vastgesteld. Verweerder heeft het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in de handelwijze van de keurmeester en de wijze waarop het monster is genomen. De keurmeester heeft bewust de actie buiten het bedrijfshoofd om willen doen en heeft tegen het personeel gezegd dat hij de actie van de keurmeester niet mocht melden aan het bedrijfshoofd. Verder heeft de keurmeester onvoldoende geverifieerd wat en welke partij in behandeling is genomen. Vanuit het lab is daar nog navraag naar gedaan. Anders dan in het bestreden besluit staat, is hierover geen contact geweest met de zoon, maar met appellant zelf. De keurmeester heeft het monster uitsluitend uit de afvoerbak gehaald, waarin zich aardappelen uit meerdere partijen bevonden. Op geen enkele wijze is te herleiden hoe de besmetting is gekoppeld aan perceel 3 van appellant. De aardappelen in de afvoerbak zijn niet bestemd voor de handel. Appellant heeft, ondanks eerdere verzoeken, het ‘Opdrachtformulier voor diagnostisch onderzoek’ pas daags na de hoorzitting van 12 april 2016 ontvangen. Het heeft er alle schijn van dat pas naar aanleiding van het bezwaar een document is opgemaakt. De in het bestreden besluit genoemde brief van 5 februari 2016 heeft appellant nooit ontvangen. Appellant is door de handelwijze van de keurmeester in zijn belangen geschaad en de gevolgen hiervan dienen niet voor rekening van appellant te komen. Ook de handelwijze van verweerder is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat in het bestreden besluit, ondanks wat in bezwaar is aangevoerd, niet erop is ingegaan of de handelwijze van de keurmeester in overeenstemming is met het keuringsreglement en het beleid.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. De NAK bespreekt al een ruim aantal jaren op het bedrijf van appellant de zaken zowel met appellant als met zijn zoon. Dit kan als een gebruikelijke werkwijze worden beschouwd. Anders dan appellant stelt, heeft de keurmeester de zoon geen zwijgplicht opgelegd. De keurmeester heeft tegen de zoon iets gezegd in de trant van “laten we de uitslag afwachten en geen onrust zaaien bij je vader”. Appellant heeft de NAK gebeld, omdat hij was begonnen met het sorteren van de partij. Bij het inspecteren van de partij (grote maat en voerkist) constateerde de NAK vermoedelijke symptomen van Meloidogyne. Hieruit blijkt reeds dat de aardappelen niet alleen uit de afvalbak zijn gehaald, maar dat de ter keuring aangeboden partij is geïnspecteerd. Het blijkt ook uit interne e-mails van 1 en 8 februari 2016 waarin het monster aan de partij van perceel 3 is gekoppeld. Er bestaat geen grond om aan te nemen dat het genoemde formulier na het indienen van bezwaar is opgemaakt. De brief van 5 februari 2016 is een interne uitslagbrief diagnostiek, waarop het primaire besluit mede is gebaseerd. De werkwijze van de keurmeester is in overeenstemming met het keuringsreglement 2016. Appellant onderbouwt niet welke handelingen in strijd zouden zijn met dit reglement.
De maatregelen op grond van de artikelen 3 en 4 van het Bbso worden aangezegd voor een bepaalde partij. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bbso behoort tot een partij mede het afval. Ook als, zoals appellant stelt, de besmette aardappelen uitsluitend afkomstig waren uit de afvoerbak, staat dat niet in de weg aan de maatregelen voor perceel 3. Het sorteren gebeurt per perceel. Op het moment van de monstername werden aardappelen van perceel 3 gesorteerd en waren, naar appellant erkent, de aardappels in de afvoerbak geheel of ten dele afkomstig van perceel 3. De monsters uit die afvalbak gaven een vermoeden dat zij door aaltjes waren besmet, en dat vermoeden is nadien door laboratoriumonderzoek bevestigd. Dat rechtvaardigt de toegepaste maatregel.
Daaraan doet niet af dat niet met zekerheid valt uit te sluiten dat - door de keuze van appellant om bij het sorteren het afval niet per partij te scheiden - in de afvalbak ook aardappelen van andere (eerder gesorteerde) percelen aanwezig waren. Dat gegeven rechtvaardigt zelfs dat verweerder ook ten aanzien van eerder gesorteerde percelen maatregelen had getroffen. Verweerder heeft, door alleen een maatregel toe te passen voor het op dat moment gesorteerde perceel (3), een ingehouden en bedachtzaam gebruik van de hem toekomende bevoegdheden gemaakt.
Ook al moet het College, net als in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het College van 3 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA1180), vaststellen dat de verslaglegging over het verloop van de keuring en de monstername voor verbetering vatbaar is, in dit geval staat dat aan de in 3.3.2 getrokken conclusie niet in de weg.
Het College heeft geen reden om aan te nemen dat de keurmeester de zoon van appellant een zwijgplicht heeft willen opleggen. Anders dan appellant suggereert, bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat het opdrachtformulier achteraf is opgesteld naar aanleiding van het bezwaar van appellant. Uit het enkele feit dat het formulier later aan appellant is toegezonden, kan dit niet worden afgeleid. Het College ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder verplicht was de interne uitslagbrief van 5 februari 2016 aan appellant te zenden. Ten aanzien van wat appellant heeft aangevoerd over het keuringsreglement overweegt het College dat appellant niet concreet heeft gemaakt waarom sprake zou zijn van strijd met het keuringsreglement, zodat dit betoog reeds om die reden niet slaagt.
4. Appellant heeft in beroep schadevergoeding gevraagd. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij vraagt om vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het in zijn ogen onrechtmatige bestreden besluit. Nu uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is, moet dit verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.
w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof