Meer dan 50 bomen per hectare; artikel 9, derde lid, onder b van Vo 640/2014 in verbinding met artikel 2.2, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
beslissing
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummer: 16/1141
5111
Beslissing tot heropening van het onderzoek in de zaak tussen
[appellant] te [woonplaats] , appellant
(gemachtigde: mr. M. Mol),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigden: mr. M. van der Zwaard en mr. C. Cromheecke).
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellant betalings-rechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
(de Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 27 mei 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder beslist op het verzoek van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling voor het jaar 2015.
Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 3 oktober 2017 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit ten aanzien van de toewijzing van appellants betalingsrechten gewijzigd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Het College is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropent daarom het onderzoek.
2. Appellant is landbouwer. Hij heeft met een Gecombineerde Opgave 2015 op 15 juni 2015 toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling hiervan aangevraagd. Hiervoor heeft hij onder meer het perceel 39 opgegeven als houtwal en houtsingel.
3. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder appellant 24,69 betalingsrechten toegewezen. Hierbij en bij het primaire besluit 2 heeft verweerder perceel 39 niet subsidiabel gesteld. Bij het primaire besluit 2 is de basisbetaling en vergroeningsbetaling van appellant vastgesteld op € 4.074,73 waarbij verweerder een korting heeft toegepast van € 9.546,44 vanwege een afwijking in de oppervlakte.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Bij het wijzigingsbesluit heeft verweerder appellant 44,86 betalingsrechten toegewezen. Daarbij heeft verweerder de percelen 34 en 37 alsnog gedeeltelijk subsidiabel gesteld.
5. Ter zitting van het College heeft appellant opgemerkt dat verweerder het bestreden besluit heeft gewijzigd bij het wijzigingsbesluit en het besluit van 26 januari 2018. Met dit laatste besluit is het College niet bekend. Het College gaat ervan uit dat dit besluit van 26 januari 2018 het bestreden besluit wijzigt ten aanzien van de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling, nu het wijzigingsbesluit het bestreden besluit slechts heeft gewijzigd ten aanzien van de betalingsrechten. In dat geval heeft het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het besluit van 26 januari 2018. Verweerder heeft dat besluit echter niet aan het College ter beschikking gesteld zoals het derde lid van artikel 6:19 van de Awb voorschrijft.
6. Het College draagt verweerder daarom op om dit besluit van 26 januari 2018 binnen twee weken na de datum van deze beslissing alsnog aan het College ter beschikking te stellen.
7. Vervolgens stelt het College appellant in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van dit besluit van 26 januari 2018 zijn reactie op dat besluit voor deze procedure te geven.
Beslissing
Het College:
- heropent het onderzoek;
- draagt verweerder op om het besluit van 26 januari 2018 binnen twee weken na de datum van deze beslissing aan het College te overleggen;
- stelt appellant in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van het besluit van 26 januari 2018 zijn reactie op dat besluit voor deze procedure te geven;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus genomen door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. B. Bastein, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, op .
w.g. A. Venekamp w.g. C.M. Leliveld