Regeling Fosfaatreductieplan 2017
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 18/469, 18/470, 18/471
16009
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 mei 2018 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.J.J. de Winter),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister
(gemachtigde: A.H. Spriensma).
Procesverloop
Bij besluiten van 24 maart 2018, 31 maart 2018 en 7 april 2018 (de primaire besluiten 1, 2 en 3) heeft de minister, voor zover hier van belang, op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan verzoeker geldsommen (de geldsommen) opgelegd van 12.230,- voor periode 1, € 12.019,- voor periode 2 en € 14.813,- voor periode 3.
Verzoeker heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een knelgeval is in de zin van de Regeling. In zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden heeft de staatssecretaris ten onrechte geen aanleiding gezien om op grond van artikel 12, tweede lid, van de Regeling voor hem een ander referentieaantal vast te stellen. Verzoeker stelt verder dat hij voor de peildatum (2 juli 2015) onomkeerbare investeringsverplichtingen is aangegaan ten behoeve van de uitbreiding van zijn bedrijf, maar deze vanwege zeer ingrijpende, bijzondere, persoonlijke omstandigheden niet heeft kunnen benutten. Verzoeker onderkent dat de thans getroffen knelgevallenregeling geen soelaas biedt in zijn situatie, maar meent dat het onverkort vasthouden aan de Regeling in zijn bijzondere geval strijd oplevert met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat in verband met zijn (gebrek aan) financiële draagkracht de inhouding van de opgelegde geldsommen op zijn melkgeld in combinatie met het vastgestelde fosfaatrecht (waardoor de productie wordt beperkt) ernstige liquiditeitsproblemen met zich brengt. Ten bewijze daarvan heeft hij een verklaring van de accountant toegevoegd. Hij heeft er op gewezen dat alle relevante financiële stukken al in verband met eerdere door verweerder op grond van de Regeling genomen en weer ingetrokken besluiten bij verweerder bekend waren.
3. Ter zitting heeft de minister een betalingsregeling toegezegd voor de opgelegde geldsommen, die verzoeker toereikend vindt mits het reeds ingehouden bedrag wordt terugbetaald aan verzoeker en verdisconteerd in de betalingsregeling. Door die inhouding is verzoeker in een situatie komen te verkeren dat hij zijn rekeningen niet meer kan voldoen en de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar is. Daarin is dan ook nog steeds een spoedeisend belang gelegen. Verweerder is daartoe niet bereid. Verzoeker had kunnen weten dat de kans aanwezig was dat er weer nieuwe geldsommen zouden worden opgelegd en vóór de eerste inhouding een verzoek moeten indienen om een betalingsregeling.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisende belang thans nog gelegen is in een de ongedaan making van de inhouding op zijn melkgeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de financiële situatie van verzoeker zodanig nijpend is dat een betalingsregeling noodzakelijk is. Dat was ook zo ten tijde van de inhouding. Verweerder dient bij de te treffen betalingsregeling het reeds ingehouden bedrag dan ook geheel daarbij te betrekken. Dat is niet gebeurt. Gelet op de bijzondere situatie van verzoeker is er aanleiding een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat ingehouden bedragen op het melkgeld worden terugbetaald aan verzoeker. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel nu verweerder, gelet op de eerdere procedure, al op de hoogte was van de financiële situatie van verzoeker.
5. Voor het treffen van (een) andere voorlopige voorziening(en) in het kader van de Regeling bestaat op dit moment geen aanleiding.
6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van de verzoekschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van 501,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- draagt verweerder op de inhouding van melkgeld over de periodes 1, 2 en 3 ongedaan te maken;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1002,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.G.J. van Ouwerkerk
Afschrift verzonden aan partijen op: