ECLI:NL:CBB:2018:291
public
2018-06-20T14:49:36
2018-06-20
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-06-19
17/345
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:291
public
2018-06-20T14:47:00
2018-06-20
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:291 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-06-2018 / 17/345

GLB, extra betaling jonge landbouwers, al langer dan vijf jaar voorafgaand aan aanvraag landbouwbedrijf opgericht, niet aangetoond dat dagelijkse bedrijfsvoering pas op later moment is ingegaan.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/345

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2018 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellanten

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellanten om de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellanten hebben per 1 januari 2008 samen met [naam 3] een maatschap opgericht. Deze samenwerking is op enig moment beëindigd en per 1 januari 2015 vormen appellanten onderling een maatschap. Op 15 juni 2015 hebben zij bij verweerder een Gecombineerde opgave 2015 ingediend, waarin zij onder meer hebben verzocht om de extra betaling jonge landbouwers.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de in de Gecombineerde opgave 2015 als jonge landbouwer opgegeven [naam 2] (hierna: [naam 2] ) niet voldoet aan het vereiste van daadwerkelijke langdurige zeggenschap. Volgens verweerder heeft [naam 2] op grond van de maatschapsakte met ingangsdatum 1 januari 2008 in geval van ontbinding geen recht om de maatschap voort te zetten en is dit onder de gewijzigde maatschapsakte met ingangsdatum 1 januari 2015 niet anders. Appellanten hebben daarom geen recht op de extra betaling jonge landbouwers, aldus verweerder.

3. Appellanten hebben in beroep kort gezegd aangevoerd dat de van toepassing zijnde regelgeving niet vereist dat de jonge landbouwer een voortzettingsrecht heeft. Verweerder heeft daarom ten onrechte op basis hiervan geconcludeerd dat appellanten niet in aanmerking komen voor de extra betaling jonge landbouwers.

4. In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt naar aanleiding van de uitspraken van het College van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:341 en ECLI:NL:CBB:2017:342) gewijzigd. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat [naam 2] , gelet op de maatschapsakte met ingangsdatum 1 januari 2008 en het bijbehorende uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK), reeds langer dan vijf jaar geleden voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft opgericht. Daarom kan zij niet als jonge landbouwer worden aangemerkt. Op grond van deze gewijzigde motivering handhaaft verweerder zijn besluit om aan appellanten geen extra betaling jonge landbouwers toe te kennen.

5. Appellanten hebben in reactie hierop aangevoerd dat [naam 2] in 2008 en de daaropvolgende jaren niet kon worden aangemerkt als een jonge landbouwer die als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft opgericht. [naam 2] werkte ten tijde van de maatschap met [naam 3] in loondienst bij zorginstelling Pro Senectute. [naam 2] had op dat moment geen eigendommen in de samenwerking en kon feitelijk niet als ondernemer met een langdurige zeggenschap worden beschouwd. Nadat de samenwerking met [naam 3] is beëindigd, zijn appellanten per 1 januari 2015 onderling een samenwerking aangegaan, waarbij [naam 2] optreedt als bedrijfshoofd. Appellanten voldoen dus eerst sinds 2015 aan de voorwaarden voor de extra betaling jonge landbouwers. [naam 2] kwam bovendien in 2008 niet in aanmerking voor de toenmalige subsidieregeling voor jonge landbouwers, omdat zij geen eigendomsposities had in het bedrijf.

6. Het College overweegt als volgt.

7. Onder jonge landbouwers worden verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. Dit volgt uit artikel 50, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen tijdens elk jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers. Dit volgt uit artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014. Voor daadwerkelijke langdurige zeggenschap is vereist dat de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,- en ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering, zo is bepaald in artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel).

8. Uit artikel 2 van de maatschapsakte met ingangsdatum 1 januari 2008 en het uittreksel uit het handelsregister van de KvK blijkt dat, zoals verweerder in het aanvullend verweerschrift heeft opgemerkt, appellanten op 1 januari 2008 een maatschap hebben opgericht en dat zij dit samenwerkingsverband voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. Uit artikel 9 van deze maatschapsakte en het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat [naam 2] met ingang van 1 januari 2008 over blokkerende zeggenschap beschikte ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 5.000,-. Gelet hierop staat naar het oordeel van het College vast dat [naam 2] vanaf 1 januari 2008 formeel blokkerende zeggenschap had, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel. Het geschil spitst zich zodoende toe op de vraag of [naam 2] al per 1 januari 2008 formeel was belast met de dagelijkse bedrijfsvoering.

9. Het betoog van appellanten dat [naam 2] in 2008 en de jaren daarna niet feitelijk verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering, vat het College op als een beroep op de uitzondering van artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel. Volgens die bepaling kan de datum waarop de jonge landbouwer voldoet aan het vereiste van de daadwerkelijke langdurige zeggenschap op een later moment worden bepaald, als hij kan aantonen dat hij op een later moment mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering als gevolg van het verrichten van betaalde werkzaamheden in een andere onderneming gedurende gemiddeld meer dan 24 uur per week. Naar het oordeel van het College hebben appellanten niet met stukken aangetoond dat [naam 2] , in weerwil van de registratie in het handelsregister en van wat in de maatschapsakte is bepaald, niet belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering binnen de maatschap die op 1 januari 2008 is opgericht. In het dossier bevindt zich wel een salarisstrook van Pro Senectute van januari 2015, waaruit blijkt dat [naam 2] sinds 1 september 1994 bij deze instelling in dienst is voor, op dat moment, 16 uur per week, maar daarmee is niet aangetoond dat zij in 2008 en de daaropvolgende jaren gemiddeld meer dan 24 uur per week daar werkzaam was, zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel. Uit de verklaring van de gemachtigde van appellanten ter zitting, dat [naam 2] ongeveer € 15.000,- per jaar verdiende, kan dit evenmin worden opgemaakt. Gelet hierop moet ervan uit worden gegaan dat [naam 2] per 1 januari 2008 formeel was belast met de dagelijkse bedrijfsvoering. Dat zij in 2008 slechts in gebruik en genot aan de maatschap deelnam en zij geen eigendomspositie had in het bedrijf, leidt niet tot een andere conclusie. Het vereiste van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap ziet immers op de uitoefening van de zeggenschap en niet op de eigendomsverhoudingen binnen het bedrijf. Dat [naam 2] in 2008 niet in aanmerking kwam voor de toenmalige subsidieregeling voor jonge landbouwers, maakt evenmin dat zij in weerwil van de geldende regelgeving zou moeten worden aangemerkt als jonge landbouwer.

10. Op basis van het voorgaande komt het College tot de conclusie dat [naam 2] niet kan worden aangemerkt als jonge landbouwer, omdat zij al eerder dan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een landbouwbedrijf heeft opgericht en zij dus niet voldoet aan artikel 50, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013. Verweerder heeft de aanvraag om de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015 zodoende terecht afgewezen.

11. Gelet op de gewijzigde motivering in het aanvullend verweerschrift is naar het oordeel van het College sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, zodat het in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College ziet aanleiding het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren omdat appellanten door het gebrek niet zijn benadeeld, nu zij bij brief van 17 april 2018 en ter zitting op de gewijzigde motivering hebben gereageerd.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Het College ziet in het voorgaande aanleiding te bepalen dat verweerder het door appellanten betaalde griffierecht vergoedt en verweerder te veroordelen in de door appellanten gemaakte proceskosten. Verweerder heeft immers na het indienen van het beroepschrift zijn motivering dat [naam 2] niet als jonge landbouwer kan worden aangemerkt gewijzigd. Appellanten hebben dan ook pas in beroep een sluitende motivering van verweerder gekregen. De kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het aanvullend verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellanten te vergoeden;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2018.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D. de Vries