ECLI:NL:CBB:2018:321
public
2018-07-12T10:41:30
2018-07-12
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-05-08
17/130
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:321
public
2018-07-12T10:41:17
2018-07-12
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:321 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 08-05-2018 / 17/130

GLB, Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/130

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van Rijn).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante 76,41 betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en aan appellante 76,56 betalingsrechten toegewezen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder de oppervlakte van de percelen 29 en 31, die appellante in de Gecombineerde opgave 2015 heeft opgegeven, juist heeft vastgesteld.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ten aanzien van perceel 29 op het standpunt gesteld dat op de luchtfoto’s is te zien dat zich op het afgekeurde stuk grond aan de noordoostzijde van dit perceel een ander gewas bevindt dan op de rest van het perceel. Ook is volgens verweerder op de luchtfoto’s te zien dat het stuk aan de noordoostzijde van het perceel onderdeel is van het naastgelegen erf. Hierop kan doorgaans geen landbouwactiviteit plaatsvinden en daarom is naar zijn aard geen sprake van subsidiabele oppervlakte. De subsidiabele oppervlakte van perceel 29 is daarom terecht vastgesteld op 10,45 hectare, aldus verweerder. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op de luchtfoto’s van perceel 31 is te zien dat aan de noordwest- en zuidwestzijde van dit perceel sprake is van verstruiking. Deze oppervlakte kan daarom volgens verweerder niet als subsidiabel worden aangemerkt. Nu in het primaire besluit ten onrechte een gedeelte van deze verstruiking is aangemerkt als subsidiabele oppervlakte, heeft verweerder dit perceel in het bestreden besluit vastgesteld op 0,77 hectare in plaats van 0,80 hectare.

3. Appellante is het niet eens met de vaststelling van de percelen 29 en 31 en betoogt dat verweerder die percelen groter had moeten vaststellen. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de percelen 29 en 31 op het niveau van het referentieperceel sprake is van een verschil van minder dan 2% tussen de oppervlakte die verweerder heeft geconstateerd en de oppervlakte waarop appellante zich beroept. Appellante heeft dit niet betwist. Gelet op artikel 5, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. Gelet hierop kan het betoog van appellante dat verweerder de oppervlakte voor de percelen 29 en 31 te klein heeft vastgesteld niet slagen. Aan bespreking van wat appellante in dit kader heeft aangevoerd komt het College niet toe.

4. Appellante voert verder aan dat sprake is van een motiveringsgebrek. Volgens appellante heeft verweerder met de opmerking dat een eventueel motiveringsgebrek in het bestreden besluit is hersteld, zelf aangegeven dat er kennelijk in het primaire besluit sprake is van een motiveringsgebrek. Appellante is van mening dat verweerder dit gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Het College volgt appellant hierin niet. Een eventueel gebrek in de motivering van een besluit kan in de bezwaarfase worden hersteld. Dat een primair besluit een motiveringsgebrek vertoont, betekent dan ook niet dat, anders dan appellante lijkt te betogen, de beslissing op bezwaar automatisch eveneens een motiveringsgebrek vertoont. Van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit is voorts niet gebleken. Appellante heeft haar stelling hieromtrent niet onderbouwd en heeft ook niet concreet gemaakt op welke onderdeel de motivering onvoldoende is.

5. Appellante betoogt voorts dat verweerder de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar ruimschoots heeft overschreden. Dat verweerder hiervoor in het bestreden besluit excuses aanbiedt is onvoldoende, vindt appellante. Hoewel appellante aanvankelijk twee keer heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn, heeft appellante bij het derde verzoek om verlenging van de beslistermijn op 17 november 2016 meegedeeld hiervoor geen toestemming te verlenen. Verder heeft appellante in een telefoongesprek met een medewerker van verweerder op 21 november 2016 verzocht om binnen één week een beslissing op bezwaar te nemen. Verweerder is hieraan voorbij gegaan en heeft uiteindelijk pas op 21 december 2016 op het bezwaar beslist. Deze handelwijze is volgens appellante niet acceptabel, omdat een gestelde termijn op die manier betekenisloos wordt. Appellante verzoekt daarom om vergoeding van de wettelijke rente vanaf het moment waarop de wettelijke termijn om op het bezwaar te beslissen is geëindigd tot het moment dat uitbetaling van de als gevolg van de gewijzigde oppervlakte vastgestelde betalingsrechten heeft plaatsgevonden.

6. Het College is van oordeel dat appellante met het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente een beroep doet op artikel 4:97 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 4:100 van de Awb. De wettelijke rente die appellante claimt, ziet op een te late uitbetaling van de betalingsrechten. In deze procedure ligt uitsluitend het besluit tot toewijzing van de betalingsrechten en niet het besluit tot uitbetaling van die betalingsrechten ter beoordeling voor. Zodoende kan het College zich niet uitlaten over de vraag of verweerder wettelijke rente is verschuldigd in verband met het al dan niet tijdig nemen van een besluit tot uitbetaling.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. D. de Vries