ECLI:NL:CBB:2018:485
public
2018-09-14T10:30:44
2018-09-14
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-09-11
18/26
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:485
public
2018-09-14T10:30:32
2018-09-14
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:485 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 11-09-2018 / 18/26

Spoedbestuursdwang toegepast ten aanzien van een pony. Overtreding onvoldoende vast komen te staan. Dat gezondheidstoestand van de pony al langer zo slecht was dat appellant eerder euthanasie had moeten toepassen blijkt niet uit bevindingen en beschikbare medische informatie. Ten onrechte kosten verhaald. Beroep gegrond, het College vernietigt het bestreden besluit en het kostenbesluit en herroept het besluit tot toepassen van spoedbestuursdwang. Het verzoek om toekennen van schadevergoeding wijst het College af: schade en causaal verband niet onderbouwd.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/26

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. W.W.J. Houben)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman)

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op 12 juni 2017 wegens overtreding van het Besluit houders van dieren (Bhd) op schrift gesteld.

Bij besluit van 22 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 april 2018 (kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang in rekening gebracht voor een bedrag van € 231,51.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde, dierenarts [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 12 juni 2017 heeft een toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en een agent van de (dieren)politie naar aanleiding van een melding een controle uitgevoerd in een weiland waar een pony van appellant verbleef. De toezichthouder heeft van deze controle een rapport, gedateerd 14 juni 2017, opgemaakt. Dit toezichtrapport vermeldt de volgende constateringen:

“(…)

Ik zag een licht bruine pony van het mannelijk geslacht in het weiland liggen.

Ik zag dat het dier moeilijk kon opstaan en op moment van staan dreigde met de achterhand naar rechts om te vallen. Ik voelde dat het dier op de achterhand en in de nek zeer mager was. Er was geen vetlaag meer te bespeuren. Ik zag aan het gebit van de pony, dat deze al behoorlijk op leeftijd moest zijn.

Het dier maakte een ziekelijke indruk en had nog maar weinig krachten waardoor het dier meestal lag.

Het weiland bevatte verder genoeg gewas (gras), er was voldoende water aanwezig en een schuthok. In het schuthok lag stro op de grond en in een emmer zat nog enig bijvoer voor de pony (mais e.d.).

(…)

Op verzoek van ons rapporteur kwam om 12:10 uur ter plaatse de dierenarts:

(…)

Hij onderzocht de pony en deelde ons mede:

“Deze pony is tegen de 30 jaar oud en stervende, Het dier is chachectisch en kan bijna zonder hulp niet meer opstaan. De tanden van het dier zijn zodanig slecht dat het dier geen voedsel meer kan malen zoals gras.

Ik adviseer u het dier te euthanaseren binnen korte termijn, daar behandeling niet meer mogelijk is en het dier nu lijdt.”

RVO

Op maandag 12 juni 2017 te 1220 uur had ik (…) contact met een medewerker van de dienst RVO die ik de bevindingen van de dierenarts doorgaf. Hij deelde mij mede nogmaals de eigenaar op te sporen en hierna het dier door de genoemde dierenarts te laten euthanaseren.

Betrokkene:

Hierna belde ik omstreeks 12.30 uur nogmaals met het telefoonnummer van de eigenaar en verzorger van de pony, die ik nu wel te spreken kreeg. Ik verzocht hem om naar het weiland van zijn pony te komen.

(…)

Hij verklaarde dat hij gisteren nog bij de pony was geweest, en dat het diertje toen nog liep.

Hij zag nu inderdaad dat de pony nu niet meer in de benen kon komen.

Hij verklaarde dat het diertje onlangs was onderzocht door dierenarts [naam 4] uit Bingelrade en die had vastgesteld dat het diertje een tumor had.

Na enige discussie stemde de betrokkene in met de euthanasie van zijn pony.

De dierenarts (…) voornoemd heeft het dier te 13.35 uur geëuthanaseerd.

Betrokkene is alsnog bestuursrecht aangezegd door mij (…).”.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang voor het euthanaseren van de pony van appellant op schrift gesteld.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij groot gewicht toegekend aan de mondelinge verklaring van de dierenarts tijdens het onderzoek ter plaatse en de bevindingen in het toezichtrapport ten aanzien van de omstandigheden ter plaatse.

3. Bij het kostenbesluit heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving voor een bedrag van € 231,51 bij appellant in rekening gebracht.

Spoedbestuursdwang

4.1

Appellant voert aan dat zijn pony ten onrechte is geëuthanaseerd. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met verklaringen van de dierenarts [naam 4] en van buurtbewoners. In de verklaring van [naam 4] van 17 juli 2017 staat voor zover van belang het volgende:

“(…)

De pony was aan het herstellen van een ziekte in april/mei, waardoor het diertje sterk vermagerd was. Na bloedonderzoek op 18 april en behandeling daarna knapte het diertje langzaam op.

Het betrof een zeer oude pony, die zonder tanden zijn voer kon eten en ankylotische facetgewrichten in zijn rug had. Doordat het diertje aangeboren afwijkende achterbenen had en dientengevolge moeilijk functionerende kniegewrichten, kon het diertje moeilijk lopen. Hij kon er evenwel mee op het weitje lopen, de pony liep pijnvrij en hoefde geen enkele arbeid of prestatie te verrichten. Hij is er dertig jaar mee geworden!

(…)

Het is vreemd dat er geen informatie bij de behandelende dierenarts is ingewonnen. Ik ben van mening dat de pony ten onrechte is geëuthanaseerd, te meer daar het aan verzorging niet ontbrak.

(…).”.

Appellant begrijpt niet waarom de verklaring van de door verweerder ingeschakelde dierenarts feilloos wordt gevolgd terwijl de verklaring van [naam 4] , de vaste dierenarts van de pony, van tafel wordt geschoven. Dit terwijl [naam 4] de enige dierenarts is die daadwerkelijk kennis van zaken had omtrent de pony, aangezien hij de pony zijn hele leven periodiek controleerde en zo nodig behandelde. Het besluit om tot euthanasie over te gaan is gebrekkig en onzorgvuldig tot stand gekomen. Appellant betwist dat hij artikel 1.7, sub c, van het Bhd heeft overtreden. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat appellant de maximaal te vergen zorg heeft betracht.

4.2

Verweerder verwijst in zijn verweerschrift naar de onderbouwing in het bestreden besluit en naar een nadere verklaring van de bij de controle aanwezige dierenarts van 3 april 2018. In die verklaring staat, voor zover van belang, vermeld:

“(…)

Zoals ik u telefonisch heb medegedeeld dd 01-11-2017 was de pony 30 jaar oud dusdanig verzwakt en cachectisch (uitgeteerd) dat de enige acceptabele oplossing voor het dier uit zijn lijden te verlossen euthanasie was.

De pony kon niet op eigen kracht meer opstaan eten nauwelijks ivm bijna geen tanden meer. Ik heb toen in overleg met de heer [naam 1] besloten het diertje te euthanaseren. Ik heb de heer [naam 1] de nodige bedenktijd gegeven en er is toen ook besloten het te doen daar de heer [naam 1] dit ook het beste leek.

(…).”.

4.3

Ingevolge artikel 1.7, aanhef en onder c van het Bhd draagt degene die een dier houdt, er zorg voor dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd.

Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

4.4

Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat appellant op 12 juni 2017 artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd heeft overtreden en verweerder om die reden bevoegd was tot het toepassen van bestuursdwang. Het College overweegt daartoe als volgt.

4.5

Het College stelt voorop dat appellant niet wordt verweten dat hij de pony niet voldoende zou hebben verzorgd. In het toezichtrapport is vermeld dat er voldoende voeding, water en beschutting voor de pony aanwezig was. Volgens verweerder was echter sprake van een situatie waarin de pony zodanig leed als gevolg van ouderdomskwalen, dat appellant de pony had moeten laten euthanaseren. De passende zorg in de zin van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd die de pony is onthouden is volgens verweerder het niet tijdig uit zijn lijden verlossen door middel van euthanasie.

4.6

Het College volgt verweerder niet in dit standpunt. Weliswaar staat voldoende vast dat de gezondheidstoestand van de pony ten tijde van de controle ernstig was en dat het euthanaseren van de pony op korte termijn nodig was. Dit blijkt uit de bevindingen zoals vermeld in het toezichtrapport en de in het toezichtrapport opgenomen verklaring van de dierenarts. Hieruit volgt kort samengevat dat de pony uitgemergeld (cachectisch) was, door zijn slechte gebit nog maar amper kon eten en veel moeite had om op te staan en zich voort te bewegen. Deze bevindingen leveren naar het oordeel van het College echter nog niet voldoende bewijs op van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd. Naar het oordeel van het College is onvoldoende vast komen te staan dat de gezondheidstoestand van de pony al (enige tijd) voorafgaand aan de controle zodanig slecht was dat de conclusie gerechtvaardigd was dat appellant de pony al op een eerder moment had moeten laten euthanaseren en dus deze laatste zorg aan de pony ten onrechte zou hebben onthouden. De bevindingen in het toezichtrapport bieden daarvoor onvoldoende basis, onder meer gelet op de verklaring van appellant ten tijde van de controle dat de pony een dag eerder nog liep en het ontbreken van verdere medische informatie waaruit blijkt dat de pony er al langer slecht aan toe was, bijvoorbeeld van de vaste dierenarts [naam 4] . Overleg met deze dierenarts is, zonder reden, niet gepleegd, hoewel appellant uitdrukkelijk naar deze dierenarts heeft verwezen. Aan de verklaring van dierenarts [naam 2] kan niet de betekenis worden gehecht die verweerder eraan toegekend wil zien, mede omdat deze pas veel later is opgesteld en inhoudelijk ook niet precies vermeldt dat en waarom de pony al eerder geëuthanaseerd had moeten worden. Gelet op het voorgaande is onvoldoende vast komen te staan dat sprake was van een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd, zodat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden. Verweerder had, als na overleg met [naam 4] euthanasie naar zijn oordeel noodzakelijk was gebleken, appellant daartoe in de gelegenheid kunnen stellen en indien appellant in gebreke was gebleven alsnog handhavend kunnen optreden, zo nodig door middel van een last onder bestuursdwang met een korte begunstigingstermijn.

4.7

Gelet op het voorgaande was verweerder niet bevoegd om over te gaan tot het toepassen van spoedbestuursdwang.

Kostenbesluit

5. Aangezien verweerder niet bevoegd was om spoedbestuursdwang toe te passen, heeft verweerder de gemaakte kosten ten onrechte op appellant verhaald.

Schadevergoeding

6.1

Appellant voert vervolgens aan dat hij recht heeft op toekenning van nadeelcompensatie, bestaande uit een toekenning van € 1.000,- aan geleden (im)materiële schade. Het had op de weg van verweerder gelegen om, voor het nemen van een dergelijk ingrijpende en onomkeerbare beslissing, advies in te winnen bij een deskundige, zoals de heer [naam 4] , de vaste dierenarts van de pony. De geleden schade is rechtstreeks het gevolg van de onrechtmatige handeling van het bestuursorgaan.

6.2

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

6.3

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het bestreden besluit onrechtmatig is, zodat verweerder aansprakelijk is voor de als gevolg van dat besluit geleden schade. Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat schade is geleden en dat deze veroorzaakt is door het bestreden besluit. Volgens appellant is schade geleden ter hoogte van € 1.000,-. Wat voor soort schade het betreft, materiële dan wel immateriële schade is niet onderbouwd. Verder komt uitsluitend schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met het schadeveroorzakende besluit dat die schade als gevolg van dat besluit aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dit causale verband is ook niet onderbouwd.

Het College wijst het verzoek om die reden af.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit en het kostenbesluit. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen, aangezien geen sprake is van een herstelbaar gebrek. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.

8. Het College wijst het verzoekt tot vergoeding van schade af.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en het kostenbesluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

w.g. J.L. Verbeek w.g. L.N. Foppen