ECLI:NL:CBB:2018:530
public
2018-10-24T14:44:03
2018-10-24
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-10-09
18/118
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:530
public
2018-10-24T14:43:30
2018-10-24
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:530 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 09-10-2018 / 18/118

Het College verklaart zich onbevoegd ten aanzien van heffing Diergezondheidsfonds Pluimvee 2016. Verder oordeelt het College dat verweerder een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten ten onrechte heeft aangemerkt als bezwaren tegen die besluiten. Deze bezwaren zijn daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder dient alsnog op het herzieningsverzoek te beslissen.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/118

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats 1] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve heffing Diergezondheidsfonds Pluimvee 2016 vastgesteld op € 7.434,-.

Bij besluit van 1 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ten aanzien van het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de definitieve heffing Diergezondheidsfonds Pluimvee 2016 vastgesteld op € 5.743,96. De bezwaren tegen het primaire besluit 2 en het primaire besluit 3 heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de definitieve heffing Diergezondheids-fonds Pluimvee 2016 vastgesteld.

1.2

Bij besluiten van respectievelijk 19 maart 2015 en 30 maart 2015 heeft verweerder, op basis van de beleidsregel ‘tegemoetkoming DGF eendagskuikens en broedeieren aviaire influenza 2014’, aan appellante tegemoetkomingen toegekend uit het Diergezondheidsfonds voor de in de periode van 20 november 2014 tot en met 29 november 2014 geleden schade op de twee verschillende bedrijfslocaties van appellante ter hoogte van € 33.232,90 respectievelijk € 19.688,55.

1.3

In haar bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 25 augustus 2017 heeft appellante aangevoerd dat het bedrijf als gevolg van de uitbraak van vogelgriep in 2014 gedurende 30 dagen geen broedeieren mocht afvoeren, ondanks de gunstige uitslagen van de screening. In 2016 heerste vogelgriep in [plaats 2] en daar mochten 10 bedrijven met slachtkuikenouderdieren, na een gunstige screening, hun eieren wel afvoeren als broedeieren. Voor die bedrijven was de schade dus nihil, terwijl appellante, ook na de toegekende tegemoetkomingen in maart 2015, nog met een schadepost uit 2014 zat van € 55.947,83 waarvoor geen tegemoetkoming is verstrekt. Bovendien is appellante in 2016 opnieuw getroffen, omdat de stallen van appellante op het moment van het instellen van de maatregelen leeg stonden en een levering van dieren vanwege die maatregelen niet door kon gaan. De geleden schade als gevolg daarvan bedraagt € 18.372,14. Appellante acht het onder deze omstandigheden niet redelijk dat verweerder van appellante verwacht dat zij de premie voor het Diergezondheidsfonds Pluimvee 2016 betaalt, terwijl de forse financiële schade die appellante heeft geleden niet of niet volledig wordt vergoed op het moment dat dat nodig is. Appellante heeft het voorstel gedaan dat ofwel het resterende schadebedrag over 2014 en 2016 van € 74.319,97 alsnog wordt vergoed, ofwel de diergezondheidsheffing ieder jaar wordt verrekend met het schadebedrag, totdat het schadebedrag nihil is.

1.4

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het bezwaar van appellante heeft opgevat als een bezwaar dat is gericht tegen het primaire besluit en tevens tegen de twee besluiten van 19 en 30 maart 2015 waarbij tegemoetkomingen zijn toegekend. Ten aanzien van het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat uit de door appellante overgelegde veesaldokaarten blijkt dat de door verweerder aanvankelijk gemaakte berekening niet juist is. Op basis van de overgelegde veesaldokaarten is het bedrag herberekend en vastgesteld op € 5.743,96. Ten aanzien van de besluiten van 19 en 30 maart 2015 heeft verweerder overwogen dat de bezwaren buiten de voorgeschreven termijn zijn ingediend en dat er geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Deze bezwaren zijn daarom niet-ontvankelijk verklaard.

2. Appellante voert aan dat in het bestreden besluit geen enkel inlevingsgevoel is getoond in de specifieke vogelgriepmaterie. De reden van afwijzing is dat het bezwaarschrift buiten de voorgeschreven termijn is ingediend. Dat is logisch, want het bezwaar gaat er juist over dat de regels twee jaar later anders worden toegepast. Appellante is daardoor zeer benadeeld. Daar komt bij dat het bedrijf in de tussentijd, op 8 december 2017 en op 13 maart 2018, opnieuw is getroffen door overheidsmaatregelen als gevolg van vogelgriep. Het bedrijf van appellante is daarin uniek, aangezien er in heel Nederland geen pluimveebedrijf is dat tot vier keer buiten de eigen invloedssfeer is getroffen door overheidsmaatregelen als gevolg van vogelgriep, met flinke bedrijfsschade tot gevolg. De totale niet vergoede schade bedraagt op dit moment € 375.431,55. Appellante is vanwege deze schade genoodzaakt om te stoppen met het bedrijf. Appellante vindt het onterecht dat verweerder maar een klein deel van deze schade heeft vergoed.

Bevoegdheid College ten aanzien van heffing Diergezondheids-fonds Pluimvee 2016

3.1

Het College ziet zich ambtshalve uit oogpunt van openbare orde gesteld voor de vraag of hij bevoegd is te oordelen over de diergezondheidsheffing 2016.

3.2

In de Wet dieren, zoals die gold in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 staat, voor zover van belang, vermeld:

“Artikel 93

1 De heffing, bedoeld in artikel 91a, alsmede bij algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 91h en 92 ingevoerde heffingen worden door Onze Minister geheven.

2 Onverminderd het overigens bij of krachtens deze afdeling bepaalde worden de in het eerste lid bedoelde heffingen geheven met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met dien verstande dat van die wet buiten toepassing blijven de artikelen 2, vierde lid, 37 tot en met 39, 47a, 53, tweede en derde lid, 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87.

(…)”.

3.3

Het College overweegt dat, vanwege hetgeen is bepaald in artikel 93, tweede lid, van de Wet dieren het primaire besluit een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) betreft. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan tegen een besluit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Awr, beroep worden ingesteld bij de rechtbanken Noord-Nederland, Gelderland, Noord-Holland, Den Haag en Zeeland-West-Brabant in het ressort waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Het College is dus niet bevoegd om in beroep over deze heffing te oordelen. De omstandigheid dat voor 1 januari 2015 en met ingang van 1 januari 2018 het College wel (weer) de bevoegde rechter is (geweest) met betrekking tot deze heffingen maakt dat niet anders. Appellante is gevestigd te [plaats 1] . [plaats 1] is gelegen in het ressort Gelderland. De rechtbank Gelderland is daardoor de bevoegde rechtbank. Het College verklaart zich onbevoegd en zal het beroep voor de beoordeling van de heffing doorzenden naar de rechtbank Gelderland indien appellante haar beroep tegen de hoogte van de heffing wil handhaven.

Besluiten tegemoetkoming Diergezondheidsfonds

4. Ten aanzien van de besluiten tot toekenning van tegemoetkomingen van 19 en 30 maart 2015 is het College van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van 25 augustus 2017 ten onrechte heeft opgevat als mede een bezwaar tegen die primaire besluiten. Uit het bezwaarschrift en wat ter zitting is besproken is het College gebleken dat het appellante niet gaat om het bestrijden van de in maart 2015 toegekende vergoedingen. Het betoog van appellante komt er op neer dat in 2016 is gebleken dat de overheid door bepaalde maatregelen te treffen de schade van de betreffende bedrijven kon voorkomen dan wel beperken. Appellante noemt immers dat de bedrijven in [plaats 2] de eieren – anders dan appellante – hebben kunnen afvoeren als broedeieren en daarom geen schade hebben geleden. Het College is om die reden van oordeel dat verweerder het verzoek in het bezwaar van 25 augustus 2017 had moeten opvatten als een verzoek om, met de kennis van 2016, aan appellante een hogere tegemoetkoming toe te kennen, zo nodig met gebruikmaking van de mogelijkheid om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van de Beleidsregel tegemoetkoming DGF eendagskuikens en broedeieren aviaire influenza 2014. Verweerder heeft ten onrechte niet inhoudelijk op dat verzoek beslist. In zoverre verklaart het College het beroep gegrond. Verweerder dient alsnog op dit verzoek inhoudelijk te beslissen.

Schadevergoeding

5. Ten overvloede overweegt het College dat, voor zover appellante van mening is dat verweerder de door haar geleden schade als gevolg van de uitbraken van vogelgriep in 2017 en 2018 dient te vergoeden, zij daarvoor een procedure dient te starten bij de civiele rechter. Uit artikel 8:89, tweede lid, van de Awb volgt namelijk dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over een verzoek tot toekennen van schadevergoeding als de schade meer bedraagt dan € 25.000,-.

Slotsom

6. Het College zal zich ten aanzien van de diergezondheidsheffing 2016 onbevoegd verklaren en het beroepschrift, voor zover dat is gericht tegen de diergezondheidsheffing 2016, op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling doorsturen naar de rechtbank Gelderland als appellante dit beroep wenst te handhaven. Ter zitting is immers gebleken dat het appellante te doen is om een hogere tegemoetkoming voor de in 2014 geleden schade en niet meer om de hoogte van de heffing over 2016. Over die tegemoetkoming moet verweerder alsnog een inhoudelijk besluit nemen. Appellante kan haar beroep tegen de heffing dus intrekken zonder daardoor enig nadeel op te lopen.

7. Omdat verweerder het bezwaar van 25 augustus 2017 ten onrechte mede heeft opgevat als een bezwaar tegen de besluiten van 19 en 30 maart 2015 en niet als een verzoek om een hogere tegemoetkoming dan in maart 2015 is toegekend, is het beroep ten aanzien van de tegemoetkomingen gegrond omdat verweerder ten onrechte tot niet-ontvankelijkverklaring heeft besloten. Er was immers wat betreft de tegemoetkomingen geen sprake van een bezwaar maar van een verzoek om aanvullende tegemoetkoming. Het College zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:1 van de Awb en verweerder opdragen om alsnog op het herzieningsverzoek te beslissen.

8. Verweerder dient het door appellante betaalde griffierecht van € 388,- te vergoeden. Van overige proceskosten is het College niet gebleken, zodat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de Diergezondheidsheffing 2016;

- verklaart het beroep gegrond, voor dat ziet op besluiten van 19 en 30 maart 2015;

  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover verweerder daarin het verzoek om herziening van appellante heeft opgevat als bezwaren tegen de besluiten van 19 en 30 maart 2015 en die bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard;

  • draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het verzoek om een hogere tegemoetkoming met inachtneming van deze uitspraak;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 388,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.

w.g. J.L. Verbeek De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.