ECLI:NL:CBB:2018:569
public
2018-11-02T09:45:39
2018-11-02
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-10-30
17/1311
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:569
public
2018-11-02T09:45:11
2018-11-02
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:569 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 30-10-2018 / 17/1311

Subsidieregeling Innoveren, hoofdstuk 4 Innovatieprestatiecontracten

De subsidie terecht lager vastgesteld dan verleend, omdat het verrichte onderzoek geen collectief onderzoek is en omdat over een aantal andere kosten onvoldoende rekening en verantwoording is afgelegd.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1311

27300

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2018 in de zaak tussen

Stichting Platform Integreren van Technologieën te Almere (appellante) en

(gemachtigde: [naam 1] )

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2016 (primair besluit) heeft verweerder de aan appellante op grond van de Subsidieregeling Innoveren, hoofdstuk 4 Innovatieprestatiecontracten (IPC), verleende subsidie vastgesteld op € 45.000,- en een bedrag van € 90.000,- aan onverschuldigd betaalde voorschotten van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 7 juli 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens appellante is tevens verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 11 januari 2012 met een aanvraagformulier “Verkenning van samenwerking” dat ten tijde van belang als bijlage 4.1 deel uitmaakte van de Subsidieregeling innoveren, hoofdstuk 4: Innovatieprestatiecontracten (IPC), subsidie aangevraagd voor het project ‘betrouwbaarheid en instandhouding van windturbines’. Het doel van het project is, blijkens het bij de aanvraag ingediende projectplan, om te komen tot een collectief onderzoeksproject met als thema: mogelijkheden om de kosten van instandhouding van windturbines te verlagen en de betrouwbaarheid te verhogen.

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2012 heeft verweerder aan appellante voor het project de aangevraagde IPC-subsidie verleend. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen zijn berekend op € 300.000,-. De subsidie bedraagt 50% van de daadwerkelijk gemaakte kosten die voor subsidie in aanmerking komen en maximaal € 150.000,-.

1.3.

Appellante heeft met een ‘aanvraag vaststelling subsidie’, gedateerd 15 januari 2015, verweerder verzocht om vaststelling van de verleende subsidie. In de aanvraag is een totaalbedrag van € 300.000,- aan door appellante gemaakte projectkosten opgegeven en een bijbehorend subsidiebedrag van € 150.000,-. Appellante heeft de volgende kosten opgegeven: in totaal € 40.000,- voor het adviesbureau Van [naam 3] B.V. (hierna: het adviesbureau), € 168.875,- voor de [naam 4] te [plaats] ( [naam 4] ) en in totaal € 90.000,- voor de Hogeschool [naam 5] .

1.4.

Op 30 juni 2015 heeft een medewerker van RVO een controlebezoek afgelegd bij het adviesbureau. Het bezoek heeft verweerder tot de conclusie gebracht dat er tussen appellante en het adviesbureau over en weer factureringen en betalingen van geldbedragen zijn gedaan zonder andere economische grondslag dan subsidieontvangst en omzetbelasting.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder (voor zover thans van belang) de subsidie voor het IPC-project vastgesteld op € 45.000,-. Alleen de gemaakte kosten van € 90.000,- voor het onderzoek en het rapport van de Hogeschool [naam 5] zijn subsidiabel geacht. De subsidie daarover bedraagt 50%. De overige opgegeven kosten zijn niet subsidiabel geacht. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. De subsidie voor het IPC-project is met toepassing van de artikelen 4:45 en 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) lager vastgesteld dan verleend, omdat volgens verweerder het onderzoek van de [naam 4] geen collectief onderzoek is als bedoeld in artikel 4.10 van hoofdstuk 4 van de Subsidieregeling aangezien het niet als industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling kan worden aangemerkt. Appellante heeft volgens verweerder ook onvoldoende rekening en verantwoording afgelegd over de gestelde verrichte activiteiten door [naam 3] en de daaraan verbonden uitgaven van € 40.000,-.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft aangevoerd dat het project valt onder ‘een internationale verkenning voor samenwerking’. De door haar uitgevoerde verkenning van samenwerking “Betrouwbaarheid en Instandhouding van Windturbines”, was geen IPC, maar kan tot toekomstige IPC’s leiden. Verweerder heeft het project ten onrechte als een IPC-project beoordeeld. Appellante betwist verder het standpunt van verweerder dat het onderzoek van de [naam 4] niet kan worden aangemerkt als experimenteel onderzoek. Het project is naar eer en geweten uitgevoerd. Het onderzoeksrapport omvat de onderdelen zoals beschreven in de plannen vooraf. Appellante heeft ook haar best gedaan om de financiële gang van zaken te verantwoorden. Zij is van mening dat zij voldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd over alle facturen die betrekking hebben op het project. Bij appellante is de indruk ontstaan dat haar argumenten er bij verweerder niet toe doen. Appellante meent dat verweerder niet helder en tijdig tijdens de projectbegeleiding heeft gecommuniceerd.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

In dit geding is de volgende regelgeving van toepassing.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:45

1 Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.

2 Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Artikel 4:46

1 Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

2 De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

(..)

Subsidieregeling innoveren (zoals die luidde ten tijde van de subsidieverlening)

Artikel 1.1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

  • industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in paragraaf 2.2, onder f, van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);

(..)

Artikel 4.1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(..)

- collectief onderzoek: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling waarvan de resultaten naar hun aard voor een bredere groep toepasbaar zijn;

Artikel 4.10

1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een IPC-penvoerder voor:

a. het onderzoeken van de mogelijkheden om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek dat ten goede komt aan de gehele branche, resulterende in een verslag van dit onderzoek en, indien de conclusie is dat collectief onderzoek mogelijk is, het opstellen van een plan voor een hierop volgend collectief onderzoek;

b. het door één of meer onderzoeksorganisaties laten uitvoeren van het collectief onderzoek, bedoeld in onderdeel a, resulterende in een rapport met onderzoeksresultaten en het kostenloos verspreiden van die resultaten binnen de branche.

Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2006/C 323/01) (Communautaire kaderregeling)

Artikel 2.2. Definities

Voor de toepassing van deze kaderregeling wordt verstaan onder:

(..)

f) „industrieel onderzoek”: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes als bedoeld in punt g);

g) „experimentele ontwikkeling”: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema's of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procedés of diensten worden verstaan. Deze activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd. (..) Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan de routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

(..)

3.2.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of verweerder de in geding zijnde subsidie juist heeft vastgesteld.

3.3.

Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b van de Subsidieregeling innoveren; de uitvoering van collectief onderzoek en verspreiding daarvan. Het College stelt vast dat partijen over het toepasselijke toetsingskader niet van mening verschillen en ziet geen aanleiding partijen hierin niet te volgen.

3.4.

De kosten voor het onderzoek en het rapport van de [naam 4] heeft verweerder niet subsidiabel geacht, omdat deze geen (verkenning van de mogelijkheid tot) experimentele ontwikkeling betreffen, zoals artikel 4.1 van de Subsidieregeling innoveren vereist. Hierover overweegt het College als volgt.

3.5.

Ingevolge artikel 4.10, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling innoveren, wordt op aanvraag onder meer subsidie verleend voor het laten uitvoeren van collectief onderzoek, resulterend in een verslag. Collectief onderzoek is ingevolge artikel 4.1 van de Subsidieregeling innoveren: industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling waarvan de resultaten naar hun aard voor een bredere groep toepasbaar zijn. Artikel 1.1. van de Subsidieregeling, in samenhang gelezen met de daarin vermelde bepalingen uit de Communautaire kaderregeling, bevat de definitie van wat onder industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling wordt verstaan. Daaruit volgt dat, zoals verweerder met juistheid in het bestreden besluit heeft vermeld, het bij deze begrippen gaat om activiteiten die zijn gericht op het vernieuwen, ontwikkelen of verbeteren van producten, procedés en diensten.

3.6.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat het door de [naam 4] verrichte “onderzoek naar gestructureerd model voor asset management + business opportunities”, dat heeft geleid tot het onderzoeksrapport “Maintenance and Asset Management for Wind Turbines” uitsluitend een literatuurstudie betreft. Het rapport bevat hoofdzakelijk informatie uit bestaande publicaties over windturbines en een beperkt aantal algemene aanbevelingen als “Steps must be taken by manufacturers to improve quality control of original design specifications; particulary bearings, hydraulics and electrical systems”. Het College is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit onderzoek en rapport geen activiteiten zijn waarvoor subsidie is verleend, te weten collectief onderzoek. Het rapport bevat zelf geen informatie in de richting van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten. Het College volgt appellante niet in haar andersluidende standpunt. Appellante heeft erop gewezen dat de onderzoeksresultaten zijn opgenomen in een gids die door haar is verspreid en is gebruikt als basis voor een nieuw systeem om alle onderdelen van een windturbine te beheren én om nieuwe diensten te bedenken die aan eigenaren van windturbines kunnen worden aangeboden. Dit baat haar in het licht van het vorenstaande niet.

3.7.

De hiervoor onder 3.2 vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het beroep zal in zoverre ongegrond worden verklaard. Dat, zoals appellante stelt, verweerder tijdens het project niet helder en tijdig zou hebben gecommuniceerd, is niet nader onderbouwd, noch is onderbouwd tot welk gebrek dit in of aan het bestreden besluit zou hebben geleid.

3.8.

Over de vraag of verweerder de kosten voor het adviesbureau terecht niet voor subsidie in aanmerking heeft gebracht overweegt het College als volgt.

3.9.1

Het is verweerder uit onderzoek gebleken dat tussen appellante en het adviesbureau over en weer vergelijkbare betalingen hebben plaatsgevonden. Appellante heeft op 6 september 2012 een bedrag van € 53.014,50 betaald aan het adviesbureau. Op 21 augustus 2014 heeft het adviesbureau een creditnota aan appellante gestuurd, voor een bedrag van € 53.014,50. Op deze nota staat dezelfde tekst als op de nota die ten grondslag lag aan de betaling van € 53.014,50 van 6 september 2012, door appellante aan het adviesbureau. Op de creditnota staat ook “21/8 deelbetaling € 40.000 idem € 13.014,50”. Deze bedragen heeft appellante blijkens een rekeningafschrift op 21 augustus 2014 ontvangen. Appellante stelt dat de eerste betaling betrekking had op voorgenomen activiteiten van het adviesbureau voor appellante die niet hebben plaatsgevonden en dat die betaling met de tweede betaling is teruggedraaid. Verweerder acht dit niet aannemelijk, omdat volgens hem niet valt in te zien dat het adviesbureau twee jaar heeft kunnen beschikken over een bedrag van € 53.014,50 dat bedoeld is voor het project, zonder dat er met dat bedrag iets ten behoeve van het project is gedaan.

3.9.2

Appellante heeft verder op 25 juni 2013 van het adviesbureau een bedrag van € 24.200,- ontvangen en bedragen van in totaal € 24.200,- aan het adviesbureau betaald. Verweerder acht dit onlogisch en heeft niet van appellante te horen gekregen voor welke werkzaamheden zij het adviesbureau heeft betaald. Daarom trekt verweerder de authenticiteit van de nota’s in twijfel. Verweerder is van oordeel dat appellante onvoldoende rekening en verantwoording heeft afgelegd voor de door haar opgegeven kosten voor het adviesbureau.

3.10.

Het College stelt voorop dat het op grond van artikel 4:45, tweede lid, van de Awb, aan appellante is om rekening en verantwoording af te leggen over de aan het project verbonden uitgaven. Het is daarom aan appellante om inzichtelijk te maken wat de achtergrond is van voormelde betalingen. Dat over en weer vergelijkbare betalingen zijn gedaan roept vragen op die door appellante adequaat beantwoord moeten worden. Dat is appellante niet gelukt. Het College komt niet tot dit oordeel omdat de verklaringen die zij heeft gegeven bij voorbaat als inhoudelijk niet acceptabel moeten worden aangemerkt, maar omdat deze verklaringen niet met objectieve en verifieerbare stukken zijn onderbouwd. Zo zijn geen schriftelijk vastgelegde afspraken overgelegd over werkzaamheden en kosten die tot voormelde betalingen hebben geleid. De enkele verklaringen van appellante zijn onvoldoende om van de juistheid daarvan uit te gaan. Niet is gesteld of gebleken dat appellante redelijkerwijs niet kan beschikken over het door haar te leveren bewijs van haar stellingen. De door appellante aangevoerde beroepsgrond dat haar argumenten er bij verweerder niet toe doen en dat er tussen haar en verweerder sprake is van een ongelijke situatie waardoor verweerder altijd wint, slaagt daarom niet.

3.11.

De hiervoor onder 3.8 vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord. Wat appellante over de facturen verder nog heeft aangevoerd baat haar in het licht van het vorenstaande niet en behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.12.

De hiervoor onder 3.2 vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. B. Bastein en

mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2018.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. J.W.E. Pinckaers