ECLI:NL:CBB:2018:638
public
2018-12-07T09:10:00
2018-12-07
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-12-04
17/1326
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:638
public
2018-12-07T09:09:22
2018-12-07
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:638 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 04-12-2018 / 17/1326

GLB, jonge landbouwer, eenmanszaak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1326

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. N.M. Brok en mr. L. Anvelink ).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om extra betaling jonge landbouwers voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018.

Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellant – [naam 1] – heeft in de door hem op 6 mei 2016 ingediende Gecombineerde Opgave 2016 vermeld een eenmanszaak te hebben. Naast de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling heeft hij hierbij ook de extra betaling jonge landbouwers aangevraagd. Appellant heeft daartoe als jonge landbouwer [naam 2] opgegeven met als startdatum van de zeggenschap 1 januari 2015.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder appellants aanvraag voor de extra betaling jonge landbouwers afgewezen, omdat de jonge landbouwer waarvoor appellant een aanvraag heeft gedaan de vereiste blokkerende zeggenschap niet heeft gekregen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 mei 2016.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) moet blijken op welke datum de jonge landbouwer is toegetreden tot het landbouwbedrijf dat de aanvraag heeft gedaan (artikel 5, derde lid, Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB). De jonge landbouwer moet uiterlijk op 15 mei 2016 zijn toegetreden en geregistreerd staan in het handelsregister. Nu uit de inschrijving in het handelsregister niet valt af te leiden dat de jonge landbouwer is toegetreden en zeggenschap heeft verkregen in het bedrijf met de naam [naam 1] , komt appellant niet in aanmerking voor de extra betaling voor jonge landbouwers.

3. Appellant betoogt dat hij recht heeft op de extra betaling voor jonge landbouwers over de jaren 2015 en 2016. Appellant voert hiertoe aan dat de jonge landbouwer op wie de aanvraag ziet – [naam 2] – met appellant actief is in een stille maatschap. Uit de door hem overgelegde overeenkomst van de stille maatschap tussen hem en [naam 2] blijkt dat [naam 2] is toegetreden tot de stille maatschap op 1 januari 2014 en dat hij blokkerende zeggenschap heeft in die maatschap. De stille maatschap wordt door verweerder ten onrechte niet erkend.

4.1

Het College stelt voorop dat het beroep zich richt tegen het bestreden besluit waarbij verweerder heeft beslist op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van appellant om de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2016. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij ook in aanmerking moet komen voor de extra betaling jonge landbouwers in 2015, moet worden geoordeeld dat die aanvraag hier niet voorligt en dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft uiteengezet dat zijn besluit op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2015 in rechte vaststaat.

4.2

De lidstaten kennen een jaarlijkse betaling toe aan jonge landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling. Onder "jonge landbouwers" wordt – kort gezegd – verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling en die niet ouder zijn dan veertig jaar in het jaar van indiening van de aanvraag (artikel 50, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De jonge landbouwer moet in het geval van een maatschap daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf kunnen uitoefenen (artikelen 49, eerste lid, aanhef en onder b, en 50 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening). Appellant heeft in de Gecombineerde opgave 2016 de aanvraag om extra betaling voor jonge landbouwers ingediend op naam van de eenmanszaak [naam 1] en niet op naam van de maatschap. Uit het uittreksel van het handelsregister van de KvK blijkt ook dat sprake is van een eenmanszaak [naam 1] . Nu [naam 1] geen jonge landbouwer is, want ouder dan veertig jaar, heeft verweerder de aanvraag van appellant om de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2016 terecht afgewezen.

5. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. A. Venekamp en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. W.M.J.A. Duret