Intrekking en terugvordering uitvoerrestitutie, journaal niet volledig tot aan de eindbestemming bijgehouden.
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 14/483
7200
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2018 in de zaak tussen
Vion Livestock B.V., te Boxtel, appellante
(gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.F. Ördögh).
Procesverloop
Voor het procesverloop verwijst het College in de eerste plaats naar wat daaromtrent is vermeld in de uitspraak van het College van 4 juli 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:258) (verwijzingsuitspraak) waarbij, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) is verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in de verwijzingsuitspraak geformuleerde vragen.
Het Hof van Justitie heeft deze prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 19 oktober 2017 in zaak C-383/16 (ECLI:EU:C:2017:783.
Appellante en verweerder (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken en daarvoor het productschap Vee en Vlees) hebben op het arrest gereageerd.
Op 15 november 2018 heeft een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar de zaak, samen met de zaken 13/904, 14/600, 14/138, 13/903, 14/686, 14/802, 14/803, 14/804, 14/811, 14/484, 14/538 en 14/824, door een ten opzichte van de eerste zitting gewijzigde samenstelling van de meervoudige kamer, is behandeld. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Voor een weergave van de aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, de van toepassing zijnde regelgeving, het bestreden besluit en de in beroep door partijen ingenomen standpunten verwijst het College naar de verwijzingsuitspraak.
2. In de verwijzingsuitspraak heeft het College aan het Hof van Justitie vragen gesteld over de uitleg van de unierechtelijke bepalingen die betrekking hebben op het bijhouden van het journaal. Bij het hiervoor genoemde arrest van 19 oktober 2017 heeft het Hof van Justitie het volgende voor recht verklaard
“Artikel 7 van verordening (EU) nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer, gelezen in samenhang met artikel 3, leden 1 en 2, en artikel 2, lid 2, van verordening nr. 817/2010 en met de punten 3, 7 en 8 van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97, moet aldus worden uitgelegd dat terugbetaling van uitvoerrestituties uit hoofde van verordening nr. 817/2010 kan worden verlangd wanneer de vervoerder van runderen geen kopie van het in bijlage II bij verordening nr. 1/2005 bedoelde journaal heeft bijgehouden tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming.”
3. Uit het arrest volgt aldus dat de aanvrager van de uitvoerrestitutie een kopie van het journaal als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening) moet (laten) bijhouden – en dus volledig moet (laten) invullen – tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming en dat, als hieraan niet wordt voldaan, de uitvoerrestitutie op grond van Verordening 817/2010 (Welzijnsverordening) kan worden teruggevorderd.
4. Dit betekent dat het betoog van appellante dat er geen verplichting bestaat het journaal tot aan de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming bij te houden als die plaats buiten de Europese Unie ligt, en dat het ook niet mogelijk is het journaal tot die eerste lossingsplaats (Beirut) bij te houden als het journaal op de plaats van uitgang van de Europese Unie moet worden overhandigd aan een officiële dierenarts, niet slaagt. Zoals verweerder in het bestreden besluit uiteengezet heeft, had de houder van de dieren in afdeling 4 van (een kopie van) het journaal de datum en het tijdstip van vertrek van het veeschip vanuit Koper (Slovenië) en het tijdstip van aankomst van het veeschip in Beiroet (Libanon) moeten vermelden. Het College stelt vast dat dit niet is gebeurd. Afdeling 4 van het journaal is slechts bijgehouden tot en met Koper, de plaats van uitgang van de Europese Unie. Dat de dierenarts in Beiroet heeft verklaard dat de reisschemagegevens in overeenstemming zijn met de voorschriften van de Transportverordening en Verordening (EU) nr. 817/2010 (de Welzijnsverordening), zoals blijkt uit het controleverslag als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Welzijnsverordening, doet aan de hiervoor genoemde verplichting niet af. Zodoende moet worden vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting om (een kopie van) het journaal tijdens het gehele transport volledig bij te (laten) houden, tot en met de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming. Verweerder was daarom gehouden op grond van artikel 7 van de Welzijnsverordening de vooruitbetaalde uitvoerrestitutie in te trekken en met rente terug te vorderen.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. S.C. Stuldreher en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. D. de Vries griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018.
w.g. A. Venekamp w.g. D. de Vries