ECLI:NL:CBB:2018:679
public
2018-12-21T08:54:09
2018-12-21
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2018-12-18
14/811
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2018:679
public
2018-12-21T08:53:54
2018-12-21
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2018:679 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 18-12-2018 / 14/811

Uitvoerrestitutie, discrepantie tussen journalen en controleverslagen

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/811

7200

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2018 in de zaak tussen

European Livestock B.V., te Eenrum, appellante

(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Ördögh).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder (voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken) de aan appellante betaalde uitvoerrestituties ingetrokken en het daarmee gemoeide restitutiebedrag van € 4.171,86 teruggevorderd, vermeerderd met een bedrag van € 267,02 aan rente.

Bij besluit van 3 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 15 november 2018 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, samen met de zaken 13/904, 14/600, 14/138, 13/903, 14/686, 14/802, 14/803, 14/804, 14/483, 14/484, 14/538 en 14/824. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Aan de zijde van appellante was tevens aanwezig [naam] .

Overwegingen

  1. Op 29 november 2011 heeft appellante 68 levende runderen onder een restitutiecode ten uitvoer aangeven met als bestemming Rusland en hiervoor restituties aangevraagd en ontvangen voor een totaalbedrag van € 4.171,86. De runderen zijn vanuit Brakel (Nederland) via Kukuryki-Koroszcyn (Polen) naar Ermakovo (Rusland) vervoerd.

  2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan appellante betaalde uitvoerrestituties ingetrokken en het daarmee gemoeide restitutiebedrag van € 4.171,86 teruggevorderd, vermeerderd met een bedrag van € 267,02 aan rente. In totaal is dus een bedrag van € 4.438,88 van appellante gevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerder kort gezegd ten grondslag gelegd dat sprake is van discrepanties tussen de datums en tijdstippen van aankomst en lossen als vermeld in de afdelingen 4 van de journalen enerzijds en de datums en tijdstippen van aankomst en lossen als vermeld in de controleverslagen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer (Welzijnsverordening) anderzijds. Ook doet de wijze van ondertekening van de afdelingen 4 van de journalen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de wijze waarop deze zijn ingevuld, aldus verweerder, nu daarbij de datum en plaats van vertrek van het transport uit Nederland zijn vermeld.

3. Appellante heeft betoogd dat verweerder eerst in de bezwaarprocedure de onbetrouwbaarheid van de afdelingen 4 van de journalen als grondslag voor de terugvordering van de restituties heeft aangevoerd en dat deze gewijzigde grondslag in strijd is met de goede procesorde. Verder heeft appellante aangevoerd dat verweerder zijn standpunt over de betrouwbaarheid van de journalen niet heeft gebaseerd op een van de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening genoemde documenten, maar slechts op de wijze van ondertekening van de afdelingen 4 van de journalen, en op de verschillen in datums en tijdstippen van aankomst en lossen als vermeld in de journalen en de controleverslagen. Deze constateringen van verweerder kunnen volgens appellante niet tot de conclusie leiden dat de bepalingen uit Verordening (EG) Nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening) niet zijn nageleefd. Uit de door appellante overgelegde GPS-gegevens van één van de vrachtwagens blijkt dat de runderen op 5 december 2011 in Ermakovo zijn aangekomen en gelost. Dit bewijst volgens appellante dat de in de afdelingen 4 van de journalen vermelde transporttijden juist zijn. Aan de GPS-gegevens moet volgens appellante in dit geval meer belang worden gehecht dan aan de in de controleverslagen vermelde datums, mede omdat de plicht om de GPS-gegevens op te slaan en te bewaren juist is ingevoerd, en dus bij uitstek geschikt is, om de gegevens in de afdelingen 4 van de journalen te kunnen controleren. Appellante heeft IPC Hormann Gmbh (Hormann) om een verklaring gevraagd waarom in het controleverslag 6 december 2011 is ingevuld in plaats van 5 december 2011, maar heeft hierop geen steekhoudend antwoord ontvangen. Gezien het feit dat de dierenarts in de controleverslagen het reisschema als bevredigend heeft beoordeeld, moet het er volgens appellante voor worden gehouden dat de dierenarts abusievelijk een fout heeft gemaakt in de datering. Appellante heeft tot slot opgemerkt dat Hormann een uitgebreider formulier heeft gebruikt dan het formulier dat is opgenomen in bijlage IV van de Welzijnsverordening. Volgens het model van de Welzijnsverordening hoeven niet de datum van aankomst en de tijdstippen van het begin en einde van het uitladen vermeld te worden, maar alleen het reisschema en de plaats en datum van de controle, aldus appellante.

4. Het College stelt vast dat appellante ter zitting heeft verklaard dat zij de beroepsgrond over de ten dele gewijzigde grondslag in het bestreden besluit niet langer handhaaft. Wat appellante daarover heeft aangevoerd laat het College daarom buiten beschouwing.

5. Ten aanzien van de journalen overweegt het College het volgende.

5.1

Artikel 1 van de Welzijnsverordening stelt de betaling van uitvoerrestituties afhankelijk van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening, alsmede van de daarin genoemde bijlagen, en van de Welzijnsverordening zelf. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, van de Welzijnsverordening moet een controle worden uitgevoerd op de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming. Ingevolge artikel 3, tweede lid, tweede en laatste alinea, van de Welzijnsverordening wordt die controle uitgevoerd door een dierenarts die van de door hem verrichtte controle een verslag moet opstellen volgens het model in bijlage IV bij die verordening. Artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Welzijnsverordening bepaalt – kort gezegd – dat aanvragen om betaling van de uitvoerrestitutie binnen twaalf maanden worden aangevuld met de in artikel 3, tweede lid, derde alinea, van deze verordening bedoelde verslagen. Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening bepaalt dat – kort gezegd – de totale som van de uitvoerrestitutie per dier niet wordt betaald voor dieren waarvoor de bevoegde autoriteit op grond van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde documenten en/of andere gegevens over de naleving van deze verordening waarover zij beschikt, van oordeel is dat de artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening, alsmede de daarin genoemde bijlagen niet in acht zijn genomen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 19 oktober 2017, Vion Livestock, C-383/16 (ECLI:EU:C:2017:783), volgt dat de aanvrager van de uitvoerrestitutie een kopie van het journaal als bedoeld in bijlage II bij de Transportverordening moet (laten) bijhouden – en dus volledig moet (laten) invullen – tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming. Meer in het bijzonder volgt uit punt 47 van dit arrest dat de aanvrager de dierenarts in staat moet stellen na te gaan of is voldaan aan de verplichtingen ter zake van het bijhouden van het journaal.

5.2

Het College constateert dat er drie sets journalen zijn, namelijk de journalen die op 6 juni 2012 zijn ontvangen door de NVWA en de journalen die op 8 maart 2012 en op 9 augustus 2013 door het Productschap Vee en Vlees zijn ontvangen. Deze laatste twee sets zijn identieke exemplaren. Niet in geschil is dat de journalen die de NVWA op 6 juni 2012 heeft ontvangen, niet tot Ermakovo zijn bijgehouden en om die reden niet voldoen aan de ter zake geldende bepalingen van de Transportverordening. Nu de op 8 maart 2012 en 9 augustus 2013 ontvangen journalen wel tot Ermakovo zijn bijgehouden, heeft verweerder appellante niet verder tegengeworpen dat de journalen niet tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming zijn bijgehouden.

5.3

Het College stelt vast dat in de afdelingen 4 van de op 8 maart 2012 en 9 augustus 2013 ontvangen journalen is vermeld dat de dieren op 5 december 2011 om respectievelijk 03.50 uur en 03.55 uur in Ermakovo zijn aangekomen en gelost. In de controleverslagen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Welzijnsverordening, van Hormann van 17 februari 2012 (waarvan de verslagen van de controlerend dierenarts deel uitmaken), is vermeld dat de dieren op 6 december 2011 in Ermakovo zijn aangekomen tussen 10.30 uur, respectievelijk 10.45 uur en tussen 10.35 uur, respectievelijk 10.50 uur zijn gelost en gecontroleerd. Vast staat dus dat sprake is van een discrepantie in de datums en tijdstippen van aankomst en lossen tussen de journalen enerzijds en de controleverslagen van de controlerend dierenarts en Hormann anderzijds. Op basis hiervan heeft verweerder op goede gronden het feitelijk verloop van het transport zoals vermeld in de afdelingen 4 van de journalen in twijfel getrokken. Hierbij is nog van belang dat ook de controlerend dierenarts in zijn controleverslagen de datum 6 december 2011 heeft vermeld. In dit licht wringt voorts dat in de afdelingen 4 van de journalen, in de kolom waar de vervoerder verklaart dat de in afdeling 4 vermelde gegevens juist zijn, de datum en plaats van vertrek zijn vermeld, in plaats van de datum en plaats van aankomst in Ermakovo. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de wijze van ondertekening van de afdelingen 4 van de journalen verder afbreuk doet aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de gegevens in die afdelingen.

5.4

Dat Hormann voor het controleverslag een uitgebreider formulier heeft gebruikt dan de Welzijnsverordening en dat de controlerend dierenarts in zijn controleverslagen de reisschemagegevens in de afdelingen 4 van de journalen heeft goedgekeurd, doet niet af aan vorengenoemde discrepantie en neemt genoemde twijfel niet weg. Verweerder is bovendien bij de beoordeling of de toepasselijke bepalingen van de Transportverordening zijn nageleefd, niet gebonden aan vermeldingen van de dierenarts (zie in gelijke zin het arrest van het Hof van Justitie van 28 juli 2016, Masterrind, C-469/14 (ECLI:EU:C:2016:609, punten 47 e.v. en de daar aangehaalde rechtspraak). Het College is verder van oordeel dat de stelling van appellante dat de dierenarts zich in de datum heeft vergist dan wel een typefout heeft gemaakt, zich niet verhoudt met het feit dat in de journalen naast de verschillende datums, ook verschillende tijdstippen van aankomst en lossen zijn vermeld.

5.5

Het College is verder met verweerder van oordeel dat de door appellante overgelegde GPS-gegevens van één van de vrachtwagens niet kunnen dienen ter onderbouwing van de in de afdelingen 4 vermelde gegevens. De GPS-gegevens zien op het transport vanaf 29 november 2011 tot en met 5 december 2012. Appellante heeft gewezen op de aanduidingen “11-12-05 02:57:33 postój - - 0 dni 1:11:39 stacyjka 0FF” en “11-12-05 03:06:47 wejście 3 0FF”, wat volgens appellante betekent dat het transport op 5 december 2011 om 2:57 uur is stil gezet en de laadklep op 5 december 2011 om 3:06 uur is geopend. Hieruit blijkt volgens appellante dat de runderen op 5 december 2011 in Ermakovo zijn aangekomen en gelost. Het College volgt appellante hierin niet. In de GPS-gegevens zijn geen concrete plaatsnamen vermeld en ook geen GPS-coördinaten. Bij de door appellante aangehaalde aanduidingen in de GPS-gegevens, als hiervoor vermeld, is als locatieaanduiding alleen “Rosja” (Rusland) vermeld. Gelet hierop kan uit deze gegevens niet worden opgemaakt dat het transport in Ermakovo is geëindigd en op welk tijdstip. De GPS-gegevens kunnen de twijfels over het feitelijk verloop van het transport zoals vermeld in de afdelingen 4 van de journalen derhalve evenmin wegnemen.

5.6

Alles overziend komt het College tot de conclusie dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat twijfel bestaat aan het feitelijk verloop van de transporten zoals vermeld in de afdelingen 4 van de journalen en dat aldus niet van de juistheid van die gegevens kan worden uitgegaan. De journalen voldoen zodoende niet aan de ter zake geldende bepalingen van de Transportverordening. Verweerder was vanwege die niet-naleving gehouden op grond van artikel 7 van de Welzijnsverordening de vooruitbetaalde uitvoerrestituties in te trekken en met rente terug te vorderen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. S.C. Stuldreher en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. D. de Vries griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. D. de Vries