ECLI:NL:CBB:2019:113
public
2019-03-18T12:04:41
2019-03-18
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2019-03-12
17/742
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:113
public
2019-03-18T12:04:32
2019-03-18
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2019:113 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 12-03-2019 / 17/742

LNV-subsidie, Europees Visserijfonds

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/742

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2019 in de zaak tussen

Coöperatieve Visserij Organisatie U.A. te Emmeloord, appellante

(gemachtigde: mr. J.G.J. van den Bergh),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Collectieve acties aanlandplicht (de Regeling), verleende subsidie vastgesteld op € 237.922,-.

Bij besluit van 27 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de subsidie vastgesteld op € 282.747,-.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2018. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder de nummers 17/333, 17/741 en 17/919. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van appellante was tevens aanwezig [naam 1] en aan de zijde van verweerder waren tevens aanwezig [naam 2] en [naam 3]

Voor het doen van uitspraak zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft binnen het zogenoemde ’Uitvoeringsprogramma CVO aanlandplicht’ zeven aanlandplichtprojecten uitgevoerd. Een van deze projecten betrof het project ‘Netinnovatie kottervisserij’. Dit project was gericht op de ontwikkeling van aangepaste vangstmethoden (netten) waarmee de bijvangst kon worden gereduceerd.

1.2

Appellante heeft op 29 november 2013 op grond van de Regeling, Hoofdstuk 4. Visserij, Titel 3. Maatregelen van gemeenschappelijk belang, Paragraaf 2a. Collectieve acties aanlandplicht, subsidie aangevraagd voor het project ‘Netinnovatie kottervisserij’.

1.3

Verweerder heeft bij besluit van 27 maart 2014 op de aanvraag beslist en een bedrag van maximaal € 500.000,- aan subsidie verleend. Hiervan wordt 70% gefinancierd uit het Europees Visserijfonds (EVF).

1.4

Appellante heeft voor de andere zes aanlandplichtprojecten eveneens subsidie aangevraagd en verleend gekregen.

1.5

Appellante heeft bij brief van 20 maart 2015 een wijzigingsverzoek ingediend. Hierin staat dat bij aanvang van het project is besloten een Stuurgroep Aanlandplicht (hierna: Stuurgroep) aan te stellen die namens appellante nauw betrokken zou zijn bij de uitvoering van alle (zeven) aanlandplichtprojecten. Omdat deze Stuurgroep niet alleen bestond uit bestuurders van VisNed, zoals eerder beoogd, wenste appellante ook budget vrij te maken voor de inzet van de Nederlandse Vissersbond. Appellante heeft verweerder daarom verzocht het budget te verhogen en te verdelen tussen VisNed en de Nederlandse Vissersbond. Bij besluit van 4 mei 2015 heeft verweerder het verzoek goedgekeurd.

1.6

Bij aanvraag van 31 december 2015 heeft appellante verzocht om de aan haar verleende subsidie vast te stellen. Daarbij heeft zij vermeld dat de totale kosten die onder de subsidie vallen € 321.630,39 bedragen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 237.922,-.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de subsidie vastgesteld op € 282.747,-. Daarnaast heeft verweerder aan appellante een proceskostenvergoeding toegekend. Verweerder heeft daarbij volstaan met een proceskostenvergoeding voor de indiening van het bezwaarschrift. Verweerder heeft de ‘Kosten Stuurgroep aanlandplicht’, waarbij het gaat om de facturen met de volgnummers 19, 21, 33, 53, 66, 73, 76, 104, 108, 109 en 112, onder verwijzing naar artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling niet subsidiabel gesteld. De uren op deze facturen, die gemaakt zijn door de Stuurgroep, zijn volgens verweerder niet direct te relateren aan het project. In dit kader heeft verweerder in het bestreden besluit het volgende uiteengezet:

“(…) U geeft in uw bezwaarschrift en in eerdere correspondentie aan, dat de uren wel degelijk gemaakt zijn ten behoeve van de zeven aanlandplichtenprojecten en dat de uren gelijkmatig verdeeld kunnen worden over de zeven projecten. Het is ook veel efficiënter om voor de vaste kosten die voor alle zeven projecten gemaakt zijn één projectadministratie aan te houden dan zeven afzonderlijke projectadministraties. Ook wordt daarmee overlap van facturen voorkomen.

Hoewel ik erken, dat de urenregistratie voor de algemene kosten van het project aanzienlijk meer werk oplevert als deze exact per project moeten worden geregistreerd in plaats van een gelijkmatige verdeling over de zeven projecten is dit voor mij geen reden om het bestreden besluit te herzien. Allereerst merk ik op dat in geen van de wijzigingsverzoeken die u heeft ingediend expliciet is gevraagd om de kosten van de stuurgroep gelijkmatig te verdelen over de zeven projecten. In de wijzigingsbeschikkingen van 4 mei 2015, 5 januari 2016 en

4 maart 2016 is evenmin opgenomen dat een gelijkmatige verdeling van de kosten van de stuurgroep aanlandplicht over de zeven projecten is toegestaan.

In een telefoongesprek van 26 maart 2015 tussen de heer [naam 4] van RVO en de heer [naam 5] van de stuurgroep is door de heer [naam 4] vermeld dat de kosten van de stuurgroep voor elk project afzonderlijk moesten worden gespecificeerd. Maar bovendien blijkt uit gespreksverslagen van 14 en 16 oktober 2015 met betrekking tot een gesprek van

13 oktober 2015 tussen medewerkers van RVO en CVO duidelijk dat voor alle CVO-projecten gold dat de kosten apart opgevoerd en gefactureerd moesten worden. De urenregistraties dienden derhalve per project te worden gespecificeerd. De eventuele omstandigheid dat de ingediende facturen voldoen aan de gestelde factuurvereisten van de Belastingdienst doet daaraan niets af. (…)”

Verder heeft verweerder geweigerd de gedeclareerde ‘Kosten Island Fishing’ (de facturen met de volgnummers 52, 79, 80, 81, 82, 85, 88 en 99), de accountantskosten (de factuur met het volgnummer 95), de facturen met de volgnummers 13, 26, 27 (gedeeltelijk), 28, 41, 50 en de facturen met volgnummers 72, 89, 103, 111 als subsidiabele kosten aan te merken.

Kosten van de Stuurgroep

4.1

Appellante voert met betrekking tot de ‘Kosten Stuurgroep aanlandplicht’ aan dat zij de kosten van de Stuurgroepleden op basis van de aangeleverde facturen heeft betaald. Appellante wordt eerst achteraf geconfronteerd met het feit dat verweerder van mening is dat de inzet van de Stuurgroepleden niet in aanmerking komt voor subsidie, omdat deze kosten niet direct te relateren zijn aan het onderhavige project. De Stuurgroep is opgericht om de zeven aanlandplichtprojecten overkoepelend te begeleiden. De Stuurgroep heeft in dat verband regelmatig ter zake van de zeven aanlandplichtprojecten gezamenlijk vergaderd over de uitvoering, voortgang en uitkomsten van deze projecten. Voor deze werkwijze is gekozen om kostenefficiënt te werken. Bij deze vergaderingen zijn de zeven projecten afzonderlijk besproken en evenredig aan bod gekomen. De tijdregistratie van deze overleggen is daarom en om reden van efficiency niet per individueel project bijgehouden, maar evenredig over de projecten verdeeld. Appellante heeft de uren die de Stuurgroep in totaal aan de zeven aanlandplichtprojecten heeft besteed, voor 1/7 deel aan het onderhavige project toegerekend en heeft de kosten die de Stuurgroep daarvoor in totaal heeft gefactureerd, voor 1/7 deel opgenomen in de aanvraag om subsidievaststelling. Het feit dat de urenregistraties en facturen niet per individueel project zijn gespecificeerd, betekent niet dat de kosten niet subsidiabel kunnen worden gesteld. Verder betoogt appellante dat verweerder haar niet eerder op de noodzaak van gespecificeerde urenregistraties heeft gewezen en dat op grond van wet- en regelgeving niet van haar kan worden verlangd dat zij met terugwerkende kracht deze urenregistraties alsnog aanlevert. Bovendien heeft appellante vanaf 2015 de scheiding tussen de projecten inzichtelijker gemaakt, door de werkzaamheden van de leden van de Stuurgroep te splitsen per project. Vanaf dat moment bevatten de facturen de werkzaamheden en de uren per project. Daarnaast heeft verweerder bij appellante het vertrouwen gewekt dat de kosten subsidiabel zouden zijn. Het alsnog afkeuren van deze kosten is in strijd met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante concludeert dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van een situatie op grond waarvan een lagere subsidievaststelling gerechtvaardigd zou zijn.

4.2

Het College overweegt als volgt.

4.3

De subsidie is verleend in het kader van de Regeling. Het bestreden besluit dateert van na 1 januari 2016. Met ingang van 1 juli 2015 is de Regeling Europese EZ-subsidies in werking getreden (artikel 6.4 van diezelfde regeling) en per 1 januari 2016 is de Regeling ingetrokken. Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling Europese EZ-subsidies blijft de Regeling van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2016 zijn verleend op grond van die regeling.

4.4

Uit artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling volgt dat kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft, niet in aanmerking komen voor subsidie. Als algemene toelichting bij de subsidieverlening is appellante erop gewezen dat kosten alleen subsidiabel zijn wanneer zij direct aan het project zijn toe te schrijven. Voorts volgt uit artikel 4:45, tweede lid, van de Awb dat de aanvrager bij de aanvraag om subsidievaststelling rekening en verantwoording dient af te leggen omtrent de uitgaven en inkomsten die zijn verbonden aan de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt. Uit de stukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, leidt het College echter af dat de Stuurgroep tot oktober 2015 voor de zeven projecten gezamenlijk urenregistraties heeft bijgehouden en op grond daarvan voor de zeven projecten gezamenlijk kosten heeft gefactureerd. Op (een deel van) deze facturen is met de hand ‘1/7’ bijgeschreven. Appellante heeft op basis daarvan in alle zeven projecten 1/7 deel van de desbetreffende factuurbedragen opgenomen in de aanvragen om subsidievaststelling.

4.5

Verweerder heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat uit de bij de aanvraag om subsidievaststelling overgelegde, niet op het onderhavige project toegespitste facturen, in combinatie met de niet per project gespecificeerde urenregistraties, niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk 1/7 deel van de door de Stuurgroep gemaakte en gefactureerde kosten ten behoeve van het onderhavige project is gemaakt. Dat, zoals appellante stelt, de zeven projecten in gelijke mate bij de Stuurgroep aan de orde zouden zijn gekomen maakt dat niet anders. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met deze wijze van factureren door appellante heeft ingestemd. Dat verweerder op basis van offertes heeft ingestemd met de verlening van subsidie voor de kosten van de Stuurgroep, betekent niet dat hij daarmee ook heeft ingestemd met een evenredige verdeling van de kosten over de zeven projecten. Bovendien blijkt uit een belnotitie van verweerder dat al tijdens een telefoongesprek op 26 maart 2015 tussen een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en [naam 6] het risico van overlap van facturen en betalingen aan de orde is gesteld en dat [naam 6] daarop heeft te kennen gegeven de verschillende projectadministraties strikt gescheiden te houden en de urenadministratie te laten specificeren. Naar aanleiding van gesprekken die op 14 en 16 oktober 2015 tussen appellante en verweerder hebben plaatsgevonden en waarbij is besproken dat de kosten van de Stuurgroep per project apart gefactureerd moesten worden, heeft de Stuurgroep haar werkwijze gewijzigd en heeft zij per project 1/7 deel van de totale kosten gefactureerd. Hoewel verweerder met deze wijze van factureren genoegen heeft genomen en de kosten op basis daarvan vervolgens wel subsidiabel heeft gesteld, betekent dit niet dat verweerder daarom ook de kosten op basis van de eerdere facturen subsidiabel had moeten stellen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet heeft aangetoond dat de kosten rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen, zodat verweerder die kosten om die reden terecht niet subsidiabel heeft gesteld. Dat verweerder daarbij ten onrechte artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb heeft vermeld, zal het College met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, omdat aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Kosten Island Fishing

5. Verder voert appellante aan dat verweerder de door appellante opgevoerde kosten die zien op Island Fishing Co. Ltd. (GY 57), betreffende visvangstverlies, ten onrechte niet subsidiabel heeft gesteld. Ter zitting heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 25 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:508), erkend dat het bestreden besluit op dit punt onrechtmatig is. Deze beroepsgrond slaagt.

Accountantskosten

6. Appellante voert voorts aan dat verweerder ten onrechte de kosten voor werkzaamheden van de accountant niet als subsidiabele kosten heeft aangemerkt. Verweerder heeft ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraken van het College van 16 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:539) en 23 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:547) erkend dat het bestreden besluit ook op dit punt onrechtmatig is. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Kosten consumpties

7.1

Daarnaast betoogt appellante over de facturen met de volgnummers 13, 26, 27 (gedeeltelijk) 28, 41 en 50 dat verweerder de kosten ten onrechte niet subsidiabel heeft gesteld. Deze kosten zien op consumpties die ten behoeve van projectgerelateerde bijeenkomsten zijn genuttigd. Appellante meent dat deze kosten vallen onder de definitie van het begrip ‘vergaderfaciliteiten’ als genoemd in artikel 4:25, aanhef en onder f (het College begrijpt: g), van de Regeling. Daarnaast meent appellante dat sprake is van willekeur, omdat in soortgelijke gevallen consumpties wel als vergaderfaciliteiten worden aangemerkt en subsidiabel worden gesteld. Deze werkwijze was bestendige praktijk binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Bovendien heeft verweerder bij verleningsbesluit van 27 maart 2014 subsidie verleend voor de kosten van vergaderfaciliteiten waaronder deze kosten van consumpties ten behoeve van projectbijeenkomsten.

7.2

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor de kosten op de facturen met volgnummers 13, 26, 27 (gedeeltelijk) 28, 41 en 50 terecht geen subsidie is vastgesteld. De kosten voor consumpties vallen niet onder de subsidiabele kosten als genoemd in artikel 4:25 van de Regeling en daarvoor is dan ook geen subsidie verleend. Verweerder heeft hieraan in het verweerschrift toegevoegd dat bovendien niet is aangetoond dat de consumptiekosten rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen, zodat evenmin is voldaan aan het vereiste van artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat consumptiekosten uitsluitend onder de subsidiabele kosten voor vergaderfaciliteiten vallen, wanneer deze kosten (verplicht) zijn inbegrepen bij de kosten van de zaalhuur. Hiervan is volgens verweerder in dit geval geen sprake.

7.3

Met betrekking tot de facturen met volgnummers 27, 28 en 50 stelt het College vast dat deze facturen zien op kosten die zijn gemaakt in verband met een reis naar Denemarken ten behoeve van de uitvoering van het project. Verweerder heeft de kosten van die reis als subsidiabel aangemerkt, behalve de kosten die zien op consumpties die tijdens die reis zijn genuttigd. Niet valt in te zien dat deze consumptiekosten, als onderdeel van de reis- en verblijfkosten die verweerder wel subsidiabel heeft geacht, niet eveneens aantoonbaar rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen, nu vaststaat dat deze kosten tijdens de uitvoering van het project zijn gemaakt. Verweerder heeft zijn besluit om deze consumptiekosten niet subsidiabel te stellen dan ook onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

7.4

Met betrekking tot de facturen met de volgnummers 13, 26 en 41 overweegt het College als volgt. Ingevolge artikel 4:26c van de Regeling zijn op de verstrekking van de subsidie de artikelen 4:24 tot en met 4:26 van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 4:25, aanhef en onder g, van de Regeling komen in aanmerking voor de subsidie kosten voor organisatie en facilitering van het samenwerkingsverband, waaronder begrepen zaal- en locatiehuur, vergaderfaciliteiten en bureaukosten. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat de door appellante met genoemde facturen opgevoerde kosten van belegde broodjes, gevulde koeken en dranken niet vallen onder vergaderfaciliteiten als bedoeld in artikel 4:25, aanhef en onder g, van de Regeling. Verweerder heeft deze kosten naar het oordeel van het College dan ook terecht niet subsidiabel gesteld. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.

Overige kosten

8.1

Appellante heeft verder aangevoerd dat verweerder de facturen van V.o.f. gebr. H. en B. Marijs met volgnummers 72, 89 en 111 en de facturen van de Nederlandse Vissersbond met volgnummers 93 en 103 ten onrechte (deels) niet subsidiabel heeft gesteld.

8.2

Over de factuur met volgnummer 72 is het College van oordeel dat verweerder de kosten genoemd bij de post ’Uren Jan Marijs t.b.v. discardsproject’ terecht niet subsidiabel heeft gesteld. Deze kosten zien blijkens de omschrijving op het discardsproject en zijn dus niet rechtstreeks toe te rekenen aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft. Voor zover deze omschrijving geen juiste weergave is van de aard van de verrichte activiteiten komt dat voor rekening en risico van appellante. Het ligt, zoals hiervoor ook al is overwogen, gelet op het bepaalde in artikel 1:15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling en in artikel 4:45, tweede lid, van de Awb, op haar weg om aan te tonen dat die kosten rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen, en om zorg te dragen voor rekening en verantwoording omtrent die kosten. De factuur met volgnummer 72 schiet in zoverre tekort.

8.3

Verder kan verweerder worden gevolgd in zijn betoog dat bij het subsidieverleningsbesluit van 27 maart 2014 een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer is vermeld en dat de subsidie ook terecht op dat bedrag wordt vastgesteld. Dat verweerder ten aanzien van een andere factuur ten onrechte (abusievelijk) een hogere kilometervergoeding heeft vergoed, leidt niet tot het oordeel dat verweerder ook voor deze factuur van een hogere vergoeding had moeten uitgaan. De beroepsgrond faalt in zoverre.

8.4

Voorts is het College over de factuur met volgnummer 72 van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat de kosten genoemd bij de post ’Vergadering 25 juli IJmuiden’ ad € 210,- wel op het onderhavige project zien. Dit blijkt uit de toelichting bij deze kostenpost. De kostenpost is met een urenregistratie onderbouwd. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder dit deel van de factuur wel subsidiabel had moeten stellen. In zoverre slaagt de beroepsgrond.

8.5

Met betrekking tot de facturen met de volgnummers 89 en 111 kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat voor zover deze facturen melding maken van andere projecten (’discardsproject’, ‘project staart 2’ en ’project staart ontwerp 2’), niet is aangetoond dat de daarmee gemoeide kosten rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het onderhavige project. Verweerder heeft deze kosten daarom terecht niet subsidiabel gesteld. Ook in zoverre slaagt de beroepsgrond niet.

8.6

Verweerder heeft zich ten aanzien van de facturen met de volgnummers 93 en 103 op het standpunt gesteld dat deze facturen deels geen betrekking hebben op het onderhavige project, maar op het project ‘Best Practices’. Het College stelt vast dat voornoemde facturen en de onderliggende urenoverzichten weliswaar verwijzen naar het onderhavige project, maar uit de omschrijvingen op de urenoverzichten valt op te maken dat ook tijd is besteed aan het project ‘Best Practices’. Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht gemeend dat dit deel van de kosten niet binnen het onderhavige project voor subsidie in aanmerking komt. Verweerder heeft daarom terecht een bedrag van € 45,- op de factuur met volgnummer 93 en een bedrag van € 90,- op de factuur met volgnummer 103 niet subsidiabel gesteld. Ook in zoverre faalt de beroepsgrond.

Kosten bezwaar

9. Verder voert appellante aan dat verweerder in bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting heeft toegekend. Verweerder heeft ter zitting erkend ook hiervoor een proceskostenvergoeding aan appellante verschuldigd te zijn. Het College zal verweerder daarom veroordelen tot betaling van de kosten die appellante in verband met de hoorzitting in bezwaar heeft moeten maken.

Motivering

10. Nu het College alle beroepsgronden van appellante die zijn gericht tegen het niet subsidiabel stellen van door haar opgevoerde kosten inhoudelijk heeft beoordeeld, komt aan de – algemene – beroepsgrond van appellante, die ziet op de ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit, geen zelfstandige betekenis meer toe. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen nadere bespreking.

Slotsom

11. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het College ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het daarvoor over onvoldoende informatie beschikt. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van acht weken stellen.

12. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.536,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. Venekamp en

mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.

w.g. H.L. van der Beek w.g. L. van Gulick