ECLI:NL:CBB:2019:175
public
2019-04-26T08:56:51
2019-04-25
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2019-04-23
17/1651
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:175
public
2019-04-25T12:50:11
2019-04-26
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2019:175 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 23-04-2019 / 17/1651

GLB 2016, vergroening, gewasdiversificatie, geospatiale vergelijking, overlap intekening 2015 en 2016 waardoor sprake is van dezelfde teelt (tulp), daarom niet voldaan aan de vergroeningsvoorwaarde van gewasdiversificatie, beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, foutieve intekening in 2015 aan appellante te wijten.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1651

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. H. Scholte),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. N.M. Brok).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 10 mei 2016 bij de Gecombineerde opgave 2016 om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling gevraagd, waarin zij heeft aangegeven dat zij 48,34 hectare (ha) landbouwgrond in gebruik of beheer heeft en dat zij is vrijgesteld van de gewasdiversificatie.

2.1

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante niet was vrijgesteld van de verplichting tot gewasdiversificatie omdat zij niet op 100% van haar percelen een ander gewas heeft geteeld. De aanvraag is beoordeeld aan de hand van een geospatiale vergelijking van de steunaanvragen in 2015 en 2016, waaruit blijkt dat op een gedeelte van het in 2016 opgegeven perceel 27, in 2015 aangevraagd als perceel 21, beide jaren tulpen zijn geteeld. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het besluit inzake de toewijzing van betalingsrechten 2015 van 14 april 2016, waarbij de oppervlaktes en ligging van haar percelen in 2015 zijn vastgesteld, in rechte vast is komen te staan nu appellante hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. De verantwoordelijkheid om de percelen juist op te geven, ligt bovendien bij de landbouwer, aldus verweerder. Appellante voldoet dan ook niet (volledig) aan de eisen die aan de gewasdiversificatie worden gesteld. Om die reden is haar voor uitbetaling van betalingsrechten in aanmerking te nemen vergroeningsoppervlakte gekort met 23,33 ha.

2.2

In beroep heeft appellante aangevoerd dat verweerder ten onrechte concludeert dat op perceel 27 in 2016 (in 2015 perceel 21) niet of slechts gedeeltelijk een ander gewas werd geteeld. Appellante heeft in 2015 abusievelijk het desbetreffende perceel onjuist ingetekend. Er was voor appellante geen reden om in bezwaar te gaan tegen het besluit inzake de toewijzing en uitbetaling van de betalingsrechten in 2015 nu haar aanvraag geheel was toegewezen. Verder voert appellante aan dat verweerder in vergelijkbare zaken waar sprake was van een incorrecte intekening in 2015, maar feitelijk geen sprake was van overlap zoals ook het geval is bij appellante, de bezwaren wel gegrond heeft verklaard. Appellante heeft daartoe stukken bijgevoegd met betrekking tot het bedrijf [naam 2] B.V.. Appellante wijst erop dat zij bij de intekening in 2015 enkel beschikte over de luchtfoto’s uit 2014 en verweerder de perceelintekening bij perceel 21 conform de luchtfoto in 2015 diende aan te passen.

2.3

In verweer en ter zitting heeft verweerder gesteld dat in een aantal gevallen is gebleken dat de luchtfoto’s van de zomer van 2014 die ten grondslag hebben gelegen aan de Gecombineerde opgave 2015 onvoldoende duidelijk waren, zodat de onjuiste intekening niet aan de aanvrager te wijten was. Dit geldt volgens verweerder niet voor appellante, omdat zij uit de luchtfoto had kunnen afleiden dat de intekening van perceel 21 in 2015 onjuist was. Verweerder houdt vast aan de wijze waarop de percelen zijn ingetekend door de landbouwer zelf, mede omdat de verantwoordelijkheid bij de landbouwer ligt om zijn percelen correct op te geven en in te tekenen.

3.1

Op grond van artikel 43, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) moet een landbouwer die recht heeft op betaling in het kader van de basisbetalingsregeling klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen, waaronder gewasdiversificatie. Indien het bouwland van een landbouwer tussen 10 en 30 hectaren omvat en een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus niet volledig wordt beteeld met gewassen die onder water staan, moeten op dat bouwland ten minste twee verschillende gewassen worden geteeld. Het hoofdgewas mag niet meer dan 75% van dat bouwland bestrijken en de twee hoofdgewassen samen niet meer dan 95 % van het bouwland bestrijken (zie artikel 44, eerste lid, van Verordening 1307/2013). Deze voorwaarde van gewasdiversificatie is niet van toepassing op bedrijven waar meer dan 50 % van de arealen bouwland door de landbouwer niet zijn aangegeven in zijn steunaanvraag voor het voorgaande jaar en, blijkens een geospatiale vergelijking van de steunaanvragen, alle bouwland wordt beteeld met een ander gewas dan in het voorgaande kalenderjaar (zie artikel 44, derde lid, aanhef en onder c, van Verordening 1307/2013).

3.2

In artikel 24, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) is - voor zover hier van belang - bepaald dat, wanneer op grond van artikel 44 van Verordening 1307/2013 waarin is bepaald dat het hoofdgewas niet meer dan 75% van het totale geconstateerde areaal bouwland mag bestrijken, het voor de hoofdgewasgroep geconstateerde areaal meer dan 75% bestrijkt, het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van Verordening 640/2014 wordt berekend, wordt verlaagd met 50% van het totale geconstateerde areaal bouwland vermenigvuldigd met de verschilfactor. De bedoelde verschilfactor is het aandeel van de hoofdgewasgroep dat hoger is dan 75% van het totale geconstateerde bouwland in het totale voor de andere gewasgroepen vereiste areaal.

4. In geschil is of appellante vrijgesteld is van de vergroeningsvoorwaarde van gewasdiversificatie en zo niet, of verweerder terecht de vergroeningsbetaling heeft verlaagd wegens het niet voldoen aan de vergroeningsvoorwaarde.

5. In het jaar 2016 heeft appellante perceel 27 opgegeven met de gewascode 1004, Tulp. In 2015 heeft appellante perceel 21 opgegeven met dezelfde gewascode 1004, Tulp. Niet in geschil is dat een deel van perceel 21 in het jaar 2015 overeenkomt met een deel van perceel 27 in het jaar 2016. Appellante stelt dat deze overlap is ontstaan door een onjuiste intekening van perceel 21 in het jaar 2015 maar dat feitelijk geen sprake is geweest van overlap omdat je ook niet op een zelfde stuk grond twee jaar achter elkaar tulpen kan telen. Uit een geospatiale vergelijking, een vergelijking van de Gecombineerde opgave van opvolgende jaren en de bijbehorende intekening, leidt verweerder af dat er tussen de in 2015 en 2016 opgegeven percelen een overlap is. Dat betekent dat niet alle bouwland wordt beteeld met een ander gewas dan in het voorgaande kalenderjaar. Uit de door verweerder overgelegde luchtfoto’s waarop deze geospatiale vergelijking zichtbaar is gemaakt, is naar het oordeel van het College inderdaad af te leiden dat tussen de ingetekende percelen 21 in het jaar 2015 en 27 in het jaar 2016 een strook overlapt. Uit deze foto’s is dan ook af te leiden dat een deel van het bouwland, volgens eigen opgave van appellante, niet met een ander gewas is beteeld dan het voorgaande kalenderjaar. Ten aanzien van de stelling van appellante dat verweerder de intekening in het jaar 2015 had moeten corrigeren omdat deze feitelijk niet juist was, wijst het College op de eigen verantwoordelijkheid van de landbouwer om de Gecombineerde opgave juist in te vullen (artikel 17, vijfde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden).

6. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de zaak van [naam 2] B.V., kan naar oordeel van het College niet slagen. Zoals hiervoor overwogen onder 2.3 heeft verweerder hierover gesteld dat in een aantal zaken waarbij de foutieve intekening niet te wijten is geweest aan de aanvrager, de korting op de vergroeningsbetaling ongedaan is gemaakt. Voor appellante geldt dit echter niet omdat appellante zelf al bij de intekening in 2015 had kunnen zien dat deze niet juist was en is de foutieve intekening wel aan appellante te wijten, aldus verweerder. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt de Gecombineerde opgave van het jaar 2015 van appellante overgelegd. Uit de daarbij gebruikte luchtfoto’s van perceel 21 had appellante naar het oordeel van het College kunnen opmaken dat de intekening wellicht niet geheel juist was. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante ook toegegeven dat de intekening van perceel 21 in het jaar 2015 niet correct is geweest. De stelling dat de foutieve intekening van het perceel in het jaar 2015 niet aan appellante is te wijten door een onduidelijke luchtfoto, kan het College dan ook niet volgen.

7. Uit het voorgaande volgt dat appellante niet was vrijgesteld van de vergroeningsvoorwaarde van de gewasdiversificatie omdat niet is voldaan aan de eis dat op al het bouwland een ander gewas geteeld wordt dat het voorgaande kalenderjaar. Appellante moet dan ook voldoen aan de voorwaarden horende bij de gewasdiversificatie. Appellante heeft 46,66 ha bouwland en moet daarom ten minste drie verschillende gewassen telen waarbij het hoofdgewas niet meer dan 75 % van het bouwland bestrijkt en de twee hoofdgewassen samen niet meer dan 95 % van het bouwland bestrijken. Gebleken is dat appellante op haar totaaloppervlakte bouwland van 46,66 ha tulpen heeft geteeld. Het grootste gewas bestrijkt dan ook meer dan 75 % van de totale oppervlakte bouwland. Daarnaast bestrijken de twee grootste gewassen meer dan 95 % van de totale oppervlakte bouwland. Appellante voldoet om deze redenen niet aan de vergroeningsvoorwaarde van gewasdiversificatie. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot verlaging van de vergroeningsbetaling.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.

w.g. T. Pavićević w.g. C.S. de Waal