N-O verklaring onterecht nu evident was dat bezwaarmaker het niet eens was met het primaire besluit. Beroep gegrond.
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/2781
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2019 in de zaak tussen
Elis Nederland B.V., te Hoogeveen, appellante,
en
de minister van Economische zaken en Klimaat, verweerder.
(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik)
Procesverloop
Bij besluit van 28 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geen voortgangsverklaring 2017 op grond van de Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie MJA3 afgegeven aan appellante.
Bij besluit van 4 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellante per e-mail gemaakte bezwaar van 20 september 2018 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 11 juni 2019. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6:7 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De laatste dag waarop bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit van 28 juni 2018 was 9 augustus 2018.
2. Appellante stelt dat zij reeds met de e-mail van 2 augustus 2018 bezwaar heeft willen maken, en dat zij dus binnen de bezwaartermijn (voorlopig) bezwaar heeft gemaakt.
3. Verweerder stelt dat de e-mail van 2 augustus 2018 niet als bezwaarschrift kan worden aangemerkt. Daarnaast is de elektronische weg niet expliciet opengesteld voor het indienen van een bezwaarschrift.
4. Het College stelt vast dat appellante op 2 augustus 2018 een e-mail aan verweerder heeft gezonden. Uit deze mail blijkt ondubbelzinnig dat appellante het niet eens is met het besluit van 28 juni 2018. Anders dan verweerder is het College van oordeel dat deze e-mail als bezwaarschrift aangemerkt kan worden. Mogelijke gebreken aan dit bezwaarschrift kunnen hersteld worden met toepassing van artikel 6:6 van de Awb.
5. Dat dit bezwaarschrift per e-mail is verzonden kan appellante niet worden tegengeworpen nu verweerder de e-mail van 20 september 2018 wel als (voorlopig) bezwaarschrift heeft aangemerkt.
6. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is derhalve gegrond. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
Het College:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met in achtneming van deze uitspraak;
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van
D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 18 juni 2019.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D.A. Bohlmeijer