ECLI:NL:CBB:2019:251
public
2019-06-20T12:29:07
2019-06-20
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2019-04-29
18/1855
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:251
public
2019-06-20T12:28:28
2019-06-20
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2019:251 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 29-04-2019 / 18/1855

Fosfaatrechten. Verweerder is in beroep volledig tegemoetgekomen, zowel wat betreft het aantal fosfaatrechten als het verzoek om schadevergoeding. Alleen de proceskosten zijn nog in geschil. Verweerder moet de reiskosten en het griffierecht vergoeden. Het verzoek om een vergoeding voor administratieve inzet wordt afgewezen.

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1855

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2019 in de zaak tussen

Melkveebedrijf [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. J.G. Biesheuvel en mr. Y. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.558 kilogram (kg).

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder ondanks het bezwaar van appellante het primaire besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 april 2019 heeft verweerder het bestreden besluit van 19 juli 2018 ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.686 kg.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2019. Van de zijde van appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 200,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van rechtswege mede gericht tegen een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Verweerder is met het besluit van 3 april 2019 volledig tegemoetgekomen aan appellante, zodat zij geen belang heeft bij een beoordeling van dat besluit.

3. Appellante heeft naar aanleiding van het besluit van 3 april 2019 om schadevergoeding verzocht. Ook hieraan is verweerder tegemoetgekomen. Alleen de proceskostenvergoeding is nog in geschil.

4. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten van € 200,-, bestaande uit de reiskosten. De door appellante gevraagde vergoeding van € 500,- in verband met tijdverzuim voor administratieve inzet komt niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het mogelijk verletkosten vergoed te krijgen, maar dit ziet op het tijdverzuim voor het bijwonen van de zitting. Tijdverzuim voor administratieve handelingen valt daar niet onder. Het College bepaalt verder dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 338,- aan haar moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. D. de Vries als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2019.

w.g. R.C. Stam w.g. D. de Vries