ECLI:NL:CBB:2019:637
public
2019-11-27T10:01:11
2019-11-27
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2019-11-19
18/2133
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:637
public
2019-11-27T10:00:36
2019-11-27
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2019:637 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 19-11-2019 / 18/2133

GLB, Gecombineerde opgave 2017

Subsidiabele oppervlakte; verruiging.

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2113

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2019 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.L. Mieras),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat

appellante ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) voor het jaar 2017.

Bij besluit van 31 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €338,00 aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van €1.024,-.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering en gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft op 13 mei 2017 een Gecombineerde opgave bij verweerder ingediend en hierin onder meer verzocht om de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2017. Daartoe heeft zij 8 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 28,70 hectaren.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald, dat appellante voor het jaar 2017 het bedrag van € 1.323,03 krijgt uitbetaald. Hierbij heeft verweerder van de voor uitbetaling opgegeven 28,70 hectaren slechts 11,49 hectaren voor de basisbetaling en voor de vergroeningsbetaling in aanmerking genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, omdat de voor dit beroep relevante percelen 4, 8, 10, 12 en 27 volgens verweerder terecht niet zijn aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Uit de luchtfoto’s van deze percelen heeft verweerder afgeleid, dat de genoemde percelen dusdanig verruigd en nat zijn dat de oppervlakte van deze percelen niet kan worden aangemerkt als landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a van de Verordening (EU) nr. 1307/2013. Om in aanmerking te komen voor uitbetaling van betalingsrechten is niet alleen vereist dat de percelen voor landbouwactiviteiten worden gebruikt, maar ook dat de grond kan worden aangemerkt als landbouwareaal.

3.1

Appellante voert in beroep aan dat de beslissing van verweerder om de percelen 4, 8, 10, 12 en 27 niet aan te merken als subsidiabele landbouwgrond, onjuist is en niet conform het feitelijk gebruik van de percelen. Appellante voert daartoe ten eerste aan dat de percelen een deel van een groter gebied zijn dat zij pacht van Natuurmonumenten. Alle percelen worden volgens appellante beweid met schapen en runderen en gemaaid. Ten tweede verwijst appellante naar de uitkomsten van het veldbezoek dat 2 oktober 2018 door de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd. Tot slot wijst appellante er op dat zij aanzienlijk financieel nadeel voor het jaar 2017 en voor de daarop volgende jaren leidt.

3.2

Verweerder heeft bij brief van 8 november 2019 het College en appellante bericht dat hij voornemens is het bestreden besluit gedeeltelijk te herzien en daarbij alsnog delen van de percelen 4, 8, 10, 12 en 27 als subsidiabele oppervlakte zal aanmerken.

4. Het College overweegt als volgt. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat hij bij de herziening van de subsidiabele oppervlakte aansluiting zal zoeken bij de constateringen van de inspecteur van de NVWA ten aanzien van deze percelen. Om die reden zal de uitbetaling op de percelen 4, 8, 10, 12 en 27 wijzigen en zullen de opgelegde kortingen moeten worden herberekend. Daarmee is vast komen te staan dat het bestreden besluit leidt aan een motiveringsgebrek.

5. De conclusie is dat het beroep gegrond is. Het College vernietigt het bestreden besluit omdat het wat de percelen 4, 8, 10, 12 en 27 betreft, is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat ter zitting is gebleken dat verweerder nog niet de beschikking heeft over de nieuw vastgestelde contouren en subsidiabele oppervlakten en omdat de gevolgen daarvan voor de uitbetaling en opgelegde kortingen nog niet zijn vastgesteld. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van 8 weken.

6. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €512,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. S.M.M. Bolt-Hulsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2019.

w.g. T. Pavićević w.g. S.M.M. Bolt-Hulsen