ECLI:NL:CBB:2019:654
public
2020-01-22T13:15:00
2019-12-02
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2019-12-03
19/437
Eerste aanleg - meervoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
JBO 2020/2 met annotatie van Meijden, D. van der
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2019:654
public
2019-12-02T09:38:53
2019-12-03
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2019:654 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 03-12-2019 / 19/437

Beroep niet ontvankelijk. Appellante is geen belanghebbende bij het bestreden besluit. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/437

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2019 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van Varkensbedrijf [naam 2] V.O.F. om een erkenning te verlenen voor de vervaardiging van organische meststoffen en bodemverbeteraars bestaande uit verwerkte mest

(categorie-2 materiaal) afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van Varkensbedrijf [naam 2] V.O.F. ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam.

Bij brief van 19 december 2018 heeft de rechtbank Rotterdam appellante verzocht om aan te geven wat de relatie is tussen appellante en Varkensbedrijf [naam 2] V.O.F. Bij brief van

20 december 2018 heeft appellante hierop gereageerd.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroepschrift aan het College doorgezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019. Voor appellante zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 5] .

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. Het College ziet zich voor de vraag gesteld of appellante belanghebbende is bij het bestreden besluit. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat appellante geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat het gericht is tot Varkensbedrijf [naam 2] V.O.F (verder: [naam 2] V.O.F.), door wie het primaire besluit is aangevraagd en door wie bezwaar is gemaakt tegen dat besluit. Bovendien betreft het een kwestie van openbare orde, die door het College ambtshalve dient te worden beoordeeld. Het College overweegt dat de aanvraag om een erkenning te verlenen voor de vervaardiging van organische meststoffen en bodemverbeteraars bestaande uit verwerkte mest (categorie-2 materiaal) inderdaad is gedaan op naam van (alleen) [naam 2] V.O.F. Appellante is dus niet de (rechts-)persoon die de erkenning heeft aangevraagd. Het primaire besluit is dan ook terecht gericht aan [naam 2] V.O.F. als aanvrager. Nu [naam 2] V.O.F. het bezwaarschrift heeft ingediend heeft verweerder terecht het bestreden besluit tot [naam 2] V.O.F. gericht. Appellante is geen belanghebbende en zij kan daarom geen ontvankelijk beroep instellen tegen het bestreden besluit.

3. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij moet worden aangemerkt als belanghebbende omdat [naam 2] V.O.F. en appellante dezelfde eigenaren hebben, beide bedrijven op hetzelfde adres staan ingeschreven en daarom beschouwd moeten worden als één geheel, laat dit onverlet dat er sprake is van twee verschillende (rechts-)personen zodat deze omstandigheden niet afdoen aan hetgeen onder 2 is overwogen. Dit leidt het College daarom niet tot een andere conclusie.

4. Gelet op het vorenstaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. E. van Kampen