Geen gronden die zien op de aangevallen uitspraak. Hoger beroep niet-ontvankelijk
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 18/2782
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2019 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats] , appellant,
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 22 oktober 2018, nummer 18/1114 Wtra AK, gegeven op een klacht, door appellant ingediend op 2 juli 2018 tegen
[naam 2] RA (betrokkene)
Procesverloop
Appellant heeft op grond van artikel 43 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellant is verschenen. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wtra kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de accountantskamer hoger beroep worden ingesteld bij het College. In artikel 43a, eerste lid, van de Wtra is bepaald dat hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College. Op grond van artikel 43a, tweede lid, van de Wtra bevat het beroepschrift de gronden van het hoger beroep.
Gelet op de omstandigheid dat het hogerberoepschrift van appellant geen gronden bevat die betrekking hebben op de uitspraak van de accountantskamer van 22 oktober 2018, is appellant - laatstelijk - bij griffiersbrief van 17 januari 2019 in de gelegenheid gesteld deze gronden binnen vier weken, derhalve uiterlijk op 14 februari 2019, in te dienen.
Van appellant zijn in deze procedure vele brieven en stukken ontvangen. Bij griffiersbrief van 25 februari 2019 is een aantal van die brieven aan appellant retour gezonden omdat deze niet waren gericht waren aan het College. Ook een aantal van die stukken is retour gezonden omdat niet was toegelicht waarom deze van belang zijn voor de procedure. Nadien zijn opnieuw brieven en stukken ontvangen.
Ter zitting heeft appellant het College verzocht pas uitspraak te doen nadat hij zijn belastingaangifte over 2018 ter kennis van het College zou hebben gebracht. Daarbij heeft hij verklaard geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Appellant heeft vervolgens die belastingaangifte (en enkele andere stukken) ingezonden.
2. Het College stelt vast dat geen van de brieven en stukken die vóór 14 februari 2019 door appellant zijn ingezonden, een hogerberoepsgrond tegen de uitspraak van de accountantskamer van 22 oktober 2018 bevat. Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat dit verzuim appellant niet kan worden verweten, is niet gebleken. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk. Ten overvloede merkt het College nog op dat ook de na 14 februari 2019 ingezonden brieven en stukken geen hogerberoepsgronden inhouden.
3. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans en
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer