ECLI:NL:CBB:2020:1024
public
2020-12-22T13:32:12
2020-12-21
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2020-12-22
19/643
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2020:1024
public
2020-12-21T11:30:47
2020-12-22
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2020:1024 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 22-12-2020 / 19/643

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn omdat vertraging in rechterlijke fase aan appellante toe te rekenen is.

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/643

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

VOF [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. A.N.M. van Bavel),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. B. Raven en mr. C.R. Jellema).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 9 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 aan appellante heffingen opgelegd van € 1.579,- voor periode 1, van € 48,- voor periode 2, van € 5.078,- voor periode 3, van € 4.454,- voor periode 4 en van € 2.131,- voor periode 5.

Bij besluit van 4 maart 2019 heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 16 oktober 2020 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, de bezwaren tegen de primaire besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard, de primaire besluiten van 9 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 herroepen en heffingen opgelegd van € 0,- voor periode 3, van € 1.454,- voor periode 4 en van € 806,- voor periode 5. Verweerder heeft de primaire besluiten van 2 december 2017 en 6 december 2017 gehandhaafd.In dit besluit heeft verweerder medegedeeld bij intrekking van het beroep de proceskosten van appellante in beroep en het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Bij brief van 21 oktober 2020 heeft appellante haar beroep ingetrokken en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellante heeft eveneens verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Verweerder heeft een reactie ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

  2. Over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt.

  3. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van de bezwaren ten hoogste een half jaar en de behandeling van de beroepen ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

  4. Verweerder heeft het pro forma bezwaarschrift van appellante dat ziet op de periodes 1 tot en met 4 op 11 januari 2018 ontvangen. Partijen zijn het erover eens dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase niet is overschreden, omdat door het vragen van uitstel voor het indienen van de gronden van bezwaar en voor het aanleveren van aanvullende gegevens vertraging in de besluitvorming is ontstaan. In de rechterlijke fase heeft de gemachtigde van appellante bij de indiening van het pro forma beroepschrift van 11 april 2019 en daarna nog op 4 juni 2019 verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van beroep. De gemachtigde van appellante heeft de gronden op 9 juli 2019 ingediend. De verzoeken om uitstel hebben geleid tot een vertraging van drie maanden. Deze periode wordt aangemerkt als aan appellante toerekenbaar gedrag (vergelijk de uitspraak van 7 juni 2018 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2018:1820). Rekening houdend met deze periode is de redelijke termijn ook in de rechterlijke fase niet overschreden.

  5. Het College ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, omdat verweerder al heeft toegezegd deze kosten te vergoeden.

Beslissing

Het College

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderdde uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen