ECLI:NL:CBB:2020:29
public
2020-01-14T14:05:28
2020-01-13
Raad voor de Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2020-01-14
18/1888
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
's-Gravenhage
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2020:29
public
2020-01-13T09:34:49
2020-01-14
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CBB:2020:29 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-01-2020 / 18/1888

Artikel 53, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 639/2014 en artikel 21, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling; Beroep op geen schuld in de zin van artikel 77, tweede lid van de

Verordening (EU) nr. 1306/2013; Graasdierpremie; Onjuiste registratie in het systeem van Identificatie en Registratie (I&R-systeem).

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1888

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussen

Veehandel [naam 1] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie voor het jaar 2017 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is eveneens verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellant heeft op 12 mei 2017 een Gecombineerde opgave 2017 bij verweerder

ingediend en verzocht om uitbetaling van de graasdierpremie.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van

de graasdierpremie 2017 afgewezen, omdat op basis van het aantal dieren waarvoor de graasdierpremie is aangevraagd en na correctie van de oppervlakte grasland op het bedrijf van appellant, de graasdierpremie is vastgesteld op € 998,62 en dat bedrag lager is dan het drempelbedrag van € 1.000,00.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard,

maar het primaire besluit niet herroepen, omdat het gegronde bezwaar geen gevolgen heeft

voor de uitbetaling van de graasdierpremie. Daartoe heeft verweerder, voor zover in beroep

relevant, het volgende overwogen. Gebleken is dat 7 van de 262 schapen niet juist waren

geregistreerd in het systeem van Identificatie en Registratie (I&R-systeem), en daarom niet

kunnen worden aangemerkt als subsidiabele dieren. Deze 7 dieren heeft verweerder niet in

aanmerking genomen voor de berekening van de graasdierpremie. In de bezwaarfase heeft

verweerder het beroep van appellant op geen schuld in de zin van artikel 77, tweede lid van de

Verordening (EU) nr. 1306/2013 gegrond verklaard, omdat verweerder het aannemelijk acht

dat appellant geen schuld treft aan de onjuiste registratie in het I&R-systeem van 4 van de 7

dieren. Een geslaagd beroep op geen schuld, heeft echter alleen tot gevolg dat geen

administratieve sanctie wordt opgelegd en heeft niet tot gevolg dat de 4 schapen alsnog

worden meegenomen als subsidiabele dieren bij de berekening van de graasdierpremie.

3. Appellant voert aan dat verweerder in eerste aanleg de 4 dieren onterecht heeft

afgewezen en de 4 dieren had moeten laten meetellen bij de vaststelling van de

graasdierpremie voor het jaar 2017. Van een sanctie is geen sprake geweest. Appellant heeft

geen invloed dan wel zeggenschap gehad of kunnen hebben over de voorgeschiedenis en

meldingen in het I&R-systeem van deze dieren door voorgaande eigenaren. Bovendien zijn

deze 4 dieren wel meegeteld en akkoord bevonden bij de vaststelling van de graasdierpremie

voor het jaar 2016. Appellant merkt tot slot op dat indien de 4 schapen wel worden

aangemerkt als subsidiabele dieren, de graasdierpremie wel boven het drempelbedrag komt.

4.1

Het College overweegt als volgt. Schapenhouders zijn sinds 1 januari 2010 verplicht

om te voldoen aan de registratie-eisen zoals neergelegd in de Verordening (EG) nr. 21/2004

van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling

voor schapen en geiten. Deze verplichting is in Nederland nader uitgewerkt in het Besluit

identificatie en registratie van dieren en in de Regeling identificatie en registratie van dieren.

4.2

Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat de 4 schapen moeten worden

aangemerkt als subsidiabele dieren voor het subsidiejaar 2017, omdat hij niet

verantwoordelijk kan worden gehouden voor fouten uit het verleden of fouten van een vorige

eigenaar. Door appellant is niet weersproken en voor het College staat vast, dat de 4

schapen onjuist geregistreerd stonden in het I&R-systeem. In artikel 53, vierde lid, van

de Verordening (EU) nr. 639/2014 en in artikel 21, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling is

bepaald dat een juiste registratie van de graasdieren een voorwaarde is om voor de

graasdierpremie in aanmerking te komen. Zoals het College oordeelde in haar uitspraak van 4

september 2018 (ECLI:NL:CBB:2019:469) heeft verweerder daarom terecht de 4 schapen

niet als subsidiabele dieren in aanmerking genomen en niet meegenomen bij de berekening

van de graasdierpremie voor het jaar 2017. Dit leidt geen uitzondering indien verweerder

constateert dat appellant geen schuld treft aan de onjuiste registratie in het I&R-systeem.

Anders dan appellant mogelijk meent, had hij er niet op mogen vertrouwen dat met de

toekenning van de graasdierpremie in 2016 ook voor het subsidiejaar 2017 een premie zou

worden toegekend.

5. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. S.M.M. Bolt-Hulsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.

w.g. T. Pavićević w.g. S.M.M. Bolt-Hulsen