Wet personenverver 2000 en Taxiverordening Amsterdam 2012. Awb (artikle 8:83, derde lid). Intrekking Taxxxivergunning wegens nieuwe overtreding gedurende periode van schorsing. Verzoek kennelijk ongegrond. Afwijzing verzoek.
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer : 20/231
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.P. Kuijper)
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Pieters)
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2019 heeft verweerder de Taxxxivergunning van verzoeker ingetrokken. Bij besluit van 9 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst tot uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de hoofdzaak.
2. Op 2 juni 2019 is op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) de Taxxxivergunning van verzoeker voor de duur van twee weken, dus tot en met 16 juni 2019, geschorst. Op 18 juni 2019 heeft een toezichthouder van de gemeente Amsterdam een rapport van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een incident op 15 juni 2019 waarbij verzoeker betrokken was. Op grond daarvan heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker op 15 juni 2019 taxivervoer heeft aangeboden op de Amsterdamse opstapmarkt. Omdat dit is gebeurd gedurende de periode van de schorsing, heeft verweerder bij het besluit van 19 september 2019 op grond van de Taxiverordening de Taxxxivergunning van verzoeker ingetrokken. Overeenkomstig dat besluit heeft verzoeker zijn Taxxxiraamkaart en keycard ingeleverd. Verweerder heeft de keycard op 24 oktober 2019 geblokkeerd, waarmee de intrekking van de Taxxxivergunning feitelijk is geëffectueerd. Op 2 oktober 2019 is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 september 2019. Hangende bezwaar is geen verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Uit de gedingstukken leidt de voorzieningenrechter af dat het verzoek om voorlopige voorziening overwegend, zo niet uitsluitend, is ingegeven door de wens van (de gemachtigde van) verzoeker om op korte termijn (opnieuw) een uitspraak van het College te krijgen over de verbindendheid van de Taxiverordening en de rechtmatigheid van het zogeheten TTO-stelsel waarmee de Taxiverordening valt of staat. Daarvoor is deze procedure echter niet bedoeld. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de argumenten die in dit verband naar voren zijn gebracht grotendeels eerder al zijn aangevoerd in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van het College van 12 november 2019 (ECLI:NL:CBBB:2019:581) en 10 maart 2020 (ECL:NL:CBB:2020:146) en door het College zijn verworpen. Nu voorts hangende bezwaar geen verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en inmiddels geruime tijd is verstreken na (de feitelijke effectuering van) de intrekking van de Taxxxivergunning, acht de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter doet daarom met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D.A. Bohlmeijer