Regeling fosfaatreductieplan 2017. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last.
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Zaaknummers: 18/1846
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2020 in de zaak tussen
maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante over periode 5 een hoge geldsom van € 1.301,- opgelegd.
Bij besluit van 7 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het College heeft besloten met toestemming van partijen de zaak zonder zitting af te doen.
Overwegingen
-
De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
-
Aan het primaire besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het gemiddelde aantal grootvee-eenheden op het bedrijf van appellante te hoog was.
-
Aan het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover in beroep nog van belang, ten grondslag gelegd dat het opleggen van de hoge geldsom geen strijd oplevert met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EP). Volgens verweerder mag de staat ter borging van het algemeen belang (het gebruik van) eigendom reguleren en aan beperkingen onderwerpen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De maatregel die de overheid treft moet voldoen aan de legaliteitstoets, de legitimiteitstoets en de evenredigheidstoets. Dit betekent dat de maatregel een legitiem doel moet dienen in het algemeen belang en dat er een redelijk evenwicht is tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving enerzijds en de bescherming van het ongestoord genot op eigendom van het individu anderzijds – de zogenoemde fair balance. Aan het vereiste van een fair balance is niet voldaan als er sprake is van een individuele en buitensporige last voor de betrokken persoon. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067 geoordeeld dat er sprake is van een fair balance op regelingsniveau, maar dat per geval moet worden beoordeeld of de opgelegde geldsom een onevenredig zware last voor de betreffende melkveehouder betekent. Voor de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last voor een melkveehouder dient gekeken te worden of de melkveehouder wordt geconfronteerd met feiten en omstandigheden die niet voor alle veehouders gelden en die meebrengen dat hij in bijzondere mate wordt getroffen door de Regeling. Hiervan is pas sprake als een melkveehouder wordt geconfronteerd met een zeer nijpende situatie in vergelijking met andere melkveehouders als gevolg van de te realiseren reductiedoelstelling en er daarnaast bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat hij onevenredig wordt getroffen. Het gaat dan om meer omstandigheden dan alleen het aangaan van een (forse) investeringsverplichting. Daarmee onderscheidt een melkveehouder zich immers niet van andere melkveehouders die geïnvesteerd hebben, zodat geen sprake is van een individuele last. Hoewel de financiële gevolgen per melkveehouder kunnen verschillen, is de hoogte van deze financiële gevolgen evenmin een reden om een individuele last aan te nemen, omdat een melkveehouder dit ondernemersrisico, gelet op de voorzienbaarheid van de maatregelen, bewust heeft genomen. Andere omstandigheden dan investeringsverplichtingen en een financiële last zijn door appellante niet gesteld noch gebleken. Er is daarom volgens verweerder geen sprake van een individuele en buitensporige last. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding gebruik te maken van zijn in artikel 13, derde lid, van de Regeling neergelegde discretionaire bevoegdheid om ontheffing te verlenen.
-
Appellante betoogt in beroep dat de opgelegde hoge geldsom wel degelijk een inbreuk op haar door artikel 1 van het EP beschermde recht op eigendom met zich brengt. Volgens appellante heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met haar specifieke omstandigheden. Het bestreden besluit komt alleen om die reden al voor vernietiging in aanmerking. Appellante wijst erop dat zij al in 2008 plannen heeft gemaakt om haar bedrijf uit te breiden met een nieuwe stal. Deze stal is in oktober 2010 gerealiseerd. In 2013 werd de veestapel van appellante getroffen door de koeiengriep. Pas in november 2015 zijn de runderen van appellante hiertegen ingeënt, omdat toen pas duidelijk was dat zij aan deze ziekte leden. Afvoer van een deel van het vee kon toen niet meer worden voorkomen. Als haar veestapel niet getroffen was door de koeiengriep, dan had appellante op de peildatum 125 stuks melkvee gehad. Nu waren dat er nog geen 100. Het hanteren van de peildatum pakt voor appellante daarom zeer nadelig uit. Wat hierbij meespeelt is dat appellante ten onrechte alsniet-grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt, waardoor haar referentieaantal wordt verminderd met 4%. Al met al leidt het opleggen van een hoge geldsom tot een individuele en buitensporige last en dit heeft verweerder niet onderkend, aldus appellante.
Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (zie de uitspraak van het College van 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281).
Het door appellante overgelegde overzicht van leningen die zij is aangegaan is onvoldoende om een buitensporige last aan te nemen. Appellante heeft geen inzicht gegeven in de financiële positie van haar bedrijf en heeft geen stukken overgelegd die haar stelling onderbouwen dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last.
Deze beroepsgrond faalt.
Beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.