Door verzoekster dezelfde argumenten aangevoerd als bij de behandeling van haar zaak in hoger beroep. Derhalve: afwijzing van haar verzoek om herziening.
AW 1987/645
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zaanstad,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 25 juni 1987, nr. AW 1986/129, heeft de Raad een tussen
partijen door het Ambtenarengerecht te Haarlem op 3 maart 1986 gegeven
uitspraak bevestigd.
Verzoekster heeft zich bij schrijven van 5 november 1987 met een verzoek om
herziening op grond van art. 112 van de Ambtenarenwet 1929 tot de Raad
gewend.
Verzoekster heeft desverzocht haar verzoek schriftelijk nader gemotiveerd.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 24 augustus 1989, waar
verzoekster in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ingevolge art. 112 der Ambtenarenwet 1929 kan herziening van een in kracht
van gewijsde gegane uitspraak worden verzocht op grond dat is gebleken van
enige omstandigheid, die bij de behandeling van het beroep aan het gerecht
niet bekend was en die op zichzelf of in verband met andere feiten of
omstandigheden ernstige twijfel aan de juistheid van de uitspraak doet
ontstaan.
Verzoekster heeft in haar verzoek, kort samengevat, de volgende argumenten
gehanteerd:
- de vergissing met betrekking tot de benaming van de school waar
verzoekster werkzaam was in de beschikking van de direktie van het
Algemeen burgerlijk pensioenfonds, waarbij is vastgesteld dat
verzoekster uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is
voor de vervulling van haar betrekking van kleuterleidster aan een
openbare kleuterschool te Zaanstad en dat zij voor 80% of meer
algemeen invalide is;
- de naar de mening van verzoekster onterechte afkeuring destijds;
- onzorgvuldig handelen door gedaagde in de periode voor het ontslag van
verzoekster.
Daar deze argumenten ook reeds bij de behandeling van verzoeksters zaak in
hoger beroep naar voren zijn gebracht en deze ten behoeve van de uitspraak
zijn meegewogen, ziet de Raad hierin geen feiten of omstandigheden in de
hierboven omschreven zin en daarom geen grond voor inwilliging van
voorliggend verzoek om herziening.
Derhalve moet worden beslist als volgt:
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende in naam der Koningin!
Wijst het verzoek om herziening af.-
Aldus gegeven door Mr. J. Boesjes als voorzitter
en Mr. J. Janssen en Mr. Ch. de Vrey als leden, in
tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 1989 door voornoemde
voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
(get.) J. Boesjes.
(get.) P.H. Schippers.
HD
06.09