ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248
public
2018-03-12T08:36:06
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB6248
Centrale Raad van Beroep
1996-07-22
95/1321 CSV
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Coördinatiewet Sociale Verzekering 16a
Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b
Rechtspraak.nl
AB 1997, 45
RSV 1996, 251 met annotatie van C.F. de Lemos Benvindo
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248
public
2013-04-08T13:48:00
2007-09-26
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248 Centrale Raad van Beroep , 22-07-1996 / 95/1321 CSV

Gelijke behandeling van aannemer en inlener bij hoofdelijke

aansprakelijkstelling? Wetsinterpreterende regels; motiveringsplicht.

95/1321 CSV

U I T S P R A A K O.

in het geding tussen:

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en

aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij,

appellant,

en

B.V. X., gevestigd te Y., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 17 augustus 1992 heeft appellant aan

gedaagde kennis gegeven van zijn beslissing dat gedaagde

op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale

Verzekering (hierna: CwSV) tot een bedrag van f 36.905,56

hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de premies

ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet

die b.v. Q. te P. (hierna: Q.) verschuldigd is in verband met door

haar werknemers in 1985 voor gedaagde in onderaanneming

uitgevoerde werkzaamheden.

De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak

van 17 maart 1995 het door gedaagde tegen voormelde

beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en de

bestreden beslissing vernietigd.

Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep

gekomen. In een aanvullend beroepschrift van 19 juli

1995 (met bijlage) zijn de gronden voor het hoger beroep

uiteengezet.

Bij schrijven van 6 oktober 1995 is namens gedaagde door

mr G.A.M. Lieshout, belastingadviseur te Amstelveen, een

verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 22 december 1995 heeft appellant desgevraagd

nadere stukken ingezonden en daarnaast gereageerd

op het verweerschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op

25 maart 1996. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen

door mr A.C.J.M. Schröder, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen

door mr Lieshout, voornoemd.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad

is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest,

in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek

te heropenen.

Bij brief van 24 april 1996 heeft de Raad aan appellant

nadere vragen gesteld. Bij brief van 30 mei 1996 zijn

deze door appellant beantwoord.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad,

gehouden op 10 juni 1996. Appellant heeft zich daar doen

vertegenwoordigen door mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen

door mr Lieshout, voornoemd.

II. MOTIVERING

Bij de in geding zijnde beslissing heeft appellant op

grond van artikel van de 16b CwSV gedaagde tot een bedrag

van f 36.905,56 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de

premies die haar onderaannemer Q. verschuldigd was

ter zake van in 1985 voor gedaagde in onderaanneming

uitgevoerde werkzaamheden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de bestreden

beslissing vernietigd. Allereerst heeft appellant

naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd

op welke grond hij de door gedaagde aangeleverde stukken

niet betrouwbaar of volledig acht. Daarnaast acht de

rechtbank de gehanteerde methode van procentuele toerekening

van de op de G-rekening van Q. gestorte gelden

in het onderhavige geval een te grove methode. Ten overvloede

overweegt de rechtbank nog dat de looncorrectie

ten onrechte (indirect) is gebruteerd.

In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het

antwoord op de vraag of de bestreden beslissing in rechte

stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Bij de berekening van de premie die door Q. is verschuldigd

ter zake van de voor gedaagde verrichte werkzaamheden,

is in de bestreden beslissing als premieloon

60% genomen van de gefactureerde omzet, zoals die blijkt

uit de aan gedaagde gerichte facturen. Appellant heeft

gekozen voor het werken met een procentuele schatting,

omdat naar zijn oordeel de administratie van Q.

verworpen diende te worden. Door gedaagde is daarentegen

een berekeningswijze bepleit, waarbij wordt uitgegaan van

een schatting van het premieloon op basis van de door

gedaagde bijgehouden urenadministratie.

Naar het oordeel van de Raad is er onvoldoende aanleiding

om aan deze door gedaagde - jaren later - gemaakte schatting

de voorkeur te geven boven een berekening op basis

van de eigen opgave van het premieloon door Q. op de

facturen aan gedaagde. Gedaagde heeft zich aanvankelijk

ook daaraan geconformeerd. Aangezien die berekeningswijze

leidt tot een iets hoger percentage (62,7) van de gefactureerde

omzet dan de 60% die door appellant is gehanteerd,

is gedaagde bij de berekening van de aansprakelijkstelling

niet ongunstig behandeld en kan de bestreden

beslissing in zoverre in stand blijven.

In de bestreden beslissing is ten onrechte niet gemotiveerd

waarom de door gedaagde - in de voorafgaande procedure -

bepleite schattingsmethode niet is gehanteerd en

aan de door appellant gehanteerde schattingsmethode de

voorkeur is gegeven. Daardoor kan aan de hand van de

bestreden beslissing niet worden gecontroleerd of de door

gedaagde bepleite schattingsmethode op goede gronden is

verworpen. Aangezien gedaagde door dit gebrek aan motivering

niet ernstig in zijn processuele mogelijkheden is

geschaad, en de bestreden beslissing dateert van voor de

inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb), zal de Raad aan dit gebrek voorbijgaan.

In hoger beroep is niet meer in geschil dat als de door

appellant gehanteerde benaderingswijze met een schattingspercentage

van 60 wordt aanvaard, er geen sprake is

van een brutering van de looncorrectie.

Wél in geschil is nog of de gehanteerde methode van procentuele

toerekening van de op de G-rekening van Q.

gestorte gelden in het onderhavige geval een te grove

methode vormt. Gedaagde heeft ter zake aangevoerd dat,

aangezien er slechts drie opdrachtgevers van Q. zijn

geweest die hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld, van

appellant gevergd kan worden dat hij een specifieke toerekening

per aansprakelijkstelling maakt. Daarnaast heeft

gedaagde aangevoerd dat de beide opdrachtgevers die naast

gedaagde Q. hebben ingeschakeld, aansprakelijk zijn

gesteld als inleners op grond van artikel 16a van de

CwSV. Aangezien gedaagde naar zijn oordeel heeft voldaan

aan de formele vereisten voor vrijwaring op grond van

artikel 16b, vijfde lid, van de CwSV, verdient hij, als

aannemer die aansprakelijk is gesteld op grond van artikel

16b van de CwSV, een andere, gunstigere behandeling

dan de twee inleners. In ieder geval was er voldoende

aanleiding om tot een meer individuele toerekening te

komen.

De Raad stelt het volgende vast. Omdat appellant van de

op de G-rekening van Q. gestorte bedragen via betalingen

van Q. 22,43% heeft ontvangen, heeft appellant

de aanvankelijke omvang van de aansprakelijkheid van

gedaagde verminderd met 22,43% van de door gedaagde op de

G-rekening van Q. gestorte bedragen, terwijl bij de

twee aansprakelijk gestelde inleners weliswaar de omvang

van de aansprakelijkheid niet met 22,43% wordt verminderd,

maar bij de uiteindelijke invordering wel voor dat

percentage korting wordt gegeven.

De stelling van gedaagde dat hij een gunstigere behandeling

verdient dan de twee inleners, berust op de gedachte

dat artikel 16b, vijfde lid - ten tijde van de eerste

aansprakelijkstelling artikel 16b, zevende lid -, van de

CwSV een preferente positie verschaft aan aannemers in

die zin dat zij door stortingen op de G-rekening hun

risico van hoofdelijke aansprakelijkstelling kunnen beperken,

doordat een - sterk geclausuleerd - wettelijk vermoeden

bestaat dat elke betaling door de onderaannemer

van premie ten laste van een G-rekening die betrekking

heeft op het tijdvak waarin het werk is uitgevoerd, ook

inderdaad op dat werk betrekking heeft. Daarentegen werkt

zo'n - sterk geclausuleerd - wettelijk vermoeden niet ten

gunste van inleners die op grond van artikel 16a van de

CwSV aansprakelijk kunnen worden gesteld.

De vraag is nu of dit door de wetgever geschapen verschil

tussen de rechtspositie van een inlener en die van een

aannemer, impliceert dat in een geval als het onderhavige,

de door appellant van de G-rekening van Q. ontvangen

G-gelden allereerst ten goede zouden moeten komen

aan gedaagde als aannemer, en pas daarna - voor zover er

dan nog via de G-rekening ontvangen gelden over zijn - aan

de inleners.

De Raad overweegt als volgt.

In de praktijk hanteert appellant ter zake wetsinterpreterende

regels. Deze zijn niet bekend gemaakt, maar in de

loop van de onderhavige procedure aan de Raad medegedeeld.

Deze wetsinterpreterende regels houden uiteindelijk

een gelijke toerekening van de ontvangen G-gelden

aan aannemers én inleners die op de G-rekening hebben

gestort, in.

Ter verdediging van deze wetsinterpreterende regels heeft

appellant allereerst aangevoerd dat het in de praktijk

niet te voorkomen valt dat naast aannemers ook inleners

bedragen storten op een G-rekening. Daarbij wordt het

saldo van de G-rekening als het ware vermengd, dat wil

zeggen dat het bestaat uit gelden van aannemers én inleners.

Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

en op grond van de redelijkheid behandelt appellant

aannemers en inleners die op de G-rekening hebben gestort,

gelijk, door bij beide categorieën rekening te

houden met een zelfde kortingspercentage, zij het bij de

aannemers al bij de vaststelling van de hoogte van de

hoofdelijke aansprakelijkstelling, en bij de inleners

eerst bij de invordering.

Daarnaast is volgens appellant een belangrijk argument

voor de gekozen benadering dat het onderscheid tussen

inlener en aannemer in de praktijk vaak moeilijk te maken

valt, waarbij een groot risico van het maken van fouten

bestaat, en dat er bij een andere benadering uitvoeringstechnische

problemen ontstaan.

Onder deze omstandigheden kan volgens appellant het door

een aannemer én een onderaannemer nauwkeurig opvolgen van

het tot 1 oktober 1991 geldende Besluit van de Staatssecretaris

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei

1982, Stcrt. 1982, 109 (hierna: G-rekeningenbesluit),

respectievelijk van de vanaf 1 oktober 1991 geldende

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid van 23 mei 1991, Stcrt. 1991, 105 (hierna:

G-rekeningenbesluit 1991) niet leiden tot een andere

benadering.

Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de

weergegeven wetsinterpreterende regels rechtens aanvaardbaar zijn.

De Raad stelt voorop dat artikel 16a, tweede lid, van de

CwSV aan een inlener een volledige vrijwaring toekent

indien voldaan is aan de daarin opgenomen voorwaarden.

Indien daaraan niet is voldaan, zoals bij de beide inleners

van Q. in het onderhavige geval, heeft de inlener

geen wettelijke bescherming tegen hoofdelijke aansprakelijkstelling.

Artikel 16b, vijfde lid, van de CwSV

kent daarentegen ten gunste van de aannemer die op een

G-rekening heeft gestort, een - sterk geclausuleerd - wettelijk

vermoeden dat elke betaling door de onderaannemer

van premie ten laste van die G-rekening, die betrekking

heeft op het tijdvak waarin een werk is uitgevoerd, ook

inderdaad op dat werk betrekking heeft. Naar het oordeel

van de Raad kan het feit dat de mogelijkheid van - onder

omstandigheden vrijwarende - stortingen op een G-rekening

door de wetgever wél is geopend voor een aannemer, maar

niet voor een inlener, niet geheel zonder betekenis zijn

voor de inhoud van hun respectievelijke rechten en plichten.

De door appellant ontwikkelde wetsinterpreterende

regels waarin aan dit door de wetgever gemaakte onderscheid

in het geheel geen betekenis toekomt, zijn dan ook

naar het oordeel van de Raad in zoverre onjuist.

De andere door appellant aangevoerde argumenten om geen

verschil te maken tussen inleners en aannemers kunnen de

Raad niet overtuigen.

Dat het onderscheid tussen inleners en aannemers in de

praktijk vaak moeilijk te maken valt, kan appellant niet

ontslaan van de hem door de wetgever opgelegde plicht tot

het wél maken van dit onderscheid, terwijl de gevolgen

van een verkeerde wetsinterpretatie en wetstoepassing in

beginsel voor risico van appellant behoren te komen.

Verder is het voor appellant toch al noodzakelijk om de

opdrachtgevers in te delen in inleners en aannemers omdat

het van het resultaat van die indeling afhangt in welke

fase de procentuele korting wordt verrekend. Voorts is

het in het onderhavige geval ook mogelijk gebleken om de

betrokken opdrachtgevers te splitsen in aannemers en

inleners.

Appellant heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt

dat de uitvoeringstechnische problemen bij een andere

benadering zo zeer de vereiste wetstoepassing zouden

bemoeilijken dat dit ten koste zou mogen gaan van de aan

de wet ontleende rechten van de betrokken aannemer.

Naar het oordeel van de Raad moet derhalve een aannemer

in een geval waarin zowel de aannemer zélf als de onderaannemer

volledig hebben voldaan aan alle voorschriften

die voortvloeien uit artikel 16b van de CwSV en uit het

G-rekeningenbesluit dan wel het G-rekeningenbesluit 1991,

niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de

bedragen die door hem op de G-rekening van de betrokken

onderaannemer zijn gestort en die door de onderaannemer

met inachtneming van alle voorschriften van het (van

toepassing zijnde) G-rekeningenbesluit dan wel het

G-rekeningenbesluit 1991 aan de bedrijfsvereniging zijn

doorgestort.

Aangezien gedaagde stelt dat wel aan alle genoemde voorschriften

is voldaan, maar appellant zulks niet heeft

onderzocht, is de bestreden beslissing in zoverre onvoldoende

zorgvuldig voorbereid.

Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak,

zij het op andere gronden, bevestigd dient te worden.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen

in de kosten van het geding in hoger beroep, begroot

op f 2.130,-- voor de kosten van rechtsbijstand aan

gedaagde.

Het vorenstaande houdt tevens in dat, gelet op artikel

22, derde lid, van de Beroepswet, van appellant een recht

van f 600,-- dient te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in

hoger beroep tot een bedrag groot f 2.130,--, te betalen

door appellants bedrijfsvereniging;

Bepaalt dat van appellant een recht van f 600,-- wordt

geheven, te betalen door appellants bedrijfsvereniging.

Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter

en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen

als leden, in tegenwoordigheid van mr H.D. Wolthuis als

griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juli

1996.

(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.

(get.) H.D. Wolthuis.

AS

128