ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671
public
2020-06-23T07:45:48
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB6671
Centrale Raad van Beroep
1997-01-08
95/8536 ZW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Ziektewet
Rechtspraak.nl
AB 1997, 164 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 1997, 89
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671
public
2020-06-23T07:45:30
2020-06-23
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671 Centrale Raad van Beroep , 08-01-1997 / 95/8536 ZW

Het bestuursorgaan is er van uitgegaan dat bij app. geen behoefte bestond aan een motivering van de beschikking waarbij haar ziekengeld werd ingetrokken.

95/8536 ZW

O.

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en

Huisvrouwen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 15 augustus 1995 is vanwege gedaagde aan appellante kennis

gegeven van het besluit om aan haar met ingang van 4 september 1995 geen

uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen, omdat zij niet meer

ongeschikt was tot het verrichten van haar werk.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 26 oktober

1995 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde mr M.J.M. Postma, advocaat te Utrecht, van die

uitspraak in hoger beroep gekomen op de bij aanvullend beroepschrift d.d. 22

maart 1996 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft bij brief van 1 mei 1996 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 december 1996,

waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Postma

voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door

mr E.A. Schouten, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling Sociale

Verzekeringen van Detam en BVG.

Ter zitting van de Raad heeft de raadsman van appellante, met instemming van

gedaagdes gemachtigde, nog een brief d.d. 3 december 1996 van de huisarts van

appellante overgelegd.

II. MOTIVERING

Naar uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad blijkt,

is appellante op 17 augustus 1992 voor 40 uur per week als

schoonheidsspecialiste gaan werken bij een drogisterij-parfumerie. Op 3

februari 1995 is appellante wegens spanningsklachten samenhangend met een

arbeidsconflict ongeschikt geworden voor haar werk, terzake waarvan aan haar

ziekengeld is toegekend. Dit arbeidsconflict hield verband met de overname

van het bedrijf en voortzetting van de exploitatie door de zoon van de vorige

eigenaar, - die volgens appellante - haar had aangeboden voor 24 uur per week

tegen een lager salaris te gaan werken, waartegen appellante bezwaren had.

Aan het dienstverband is vervolgens medio april 1995 een eind gekomen.

In verband met dit ziektegeval heeft appellante laatstelijk op 15 augustus

1995 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige van gedaagdes

bedrijfsvereniging bezocht, die haar per 4 september 1995 niet langer

arbeidsongeschikt achtte.

Gelet op hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd,

is in dit geding primair aan de orde de vraag of het bestreden besluit

voldoet aan de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde

motiveringeisen.

Het bestreden besluit luidt als volgt:

"U meldde zich per 3 februari 1995 arbeidsongeschikt voor uw

werk als medewerkster bij werkgever X. BV.

Op grond van de Ziektewet bestaat alleen recht op ziekengeld

wanneer de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk.

U bent met ingang van 4 september 1995 niet (meer) wegens

ziekte ongeschikt voor uw werk. U heeft daarom met ingang van 4

september 1995 geen recht (meer) op ziekengeld.

De motivering voor deze beschikking wordt u op verzoek

toegezonden. U kunt binnen 7 dagen na dagtekening van deze

brief vragen om een motivering.".

Bij verweerschrift in eerste aanleg heeft gedaagde wat betreft de motivering

van het bestreden besluit het navolgende aangevoerd:

"Ingevolge het bepaalde in artikel 4:18 lid 2 (lees: lid 1) van

de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de vermelding van de

motivering achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden

aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Eiseres heeft op het spreekuur d.d. 15 augustus 1995 aan

verweerders verzekeringsgeneeskundige kenbaar gemaakt het eens

te zijn met de conclusie dat eiseres per 4 september 1995

arbeidsgeschikt is voor haar werk als schoonheidsspecialiste

(gedingstuk 2).

Verweerder heeft derhalve redelijkerwijs kunnen aannemen dat

aan een motivering geen behoefte bestond. Na afgifte van de

beschikking heeft eiseres niet om een motivering verzocht.

Tevens is verweerder van oordeel dat het voor eiseres voldoende

duidelijk is dat met het werk in de beschikking, het werk als

schoonheidsspecialiste wordt bedoeld. De arbeidsgeschiktheid

voor het werk als schoonheidsspecialiste heeft verweerders

verzekeringsgeneeskundige uitvoerig met eiseres besproken.".

De Raad kan zich met de zienswijze van gedaagde omtrent het toepassingsbereik

van artikel 4:18 van de Awb niet verenigen. Uit de Memorie van Toelichting

bij het onderhavige artikel blijkt, dat bij situaties waarin een (volledige)

vermelding van de motivering overbodig is, is gedacht aan gevallen waarin

geen enkele belanghebbende behoefte heeft aan vermelding van de motivering,

bij voorbeeld omdat niemand door de beschikking wordt geschaad of belast,

omdat de beschikking conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds

lang was aangekondigd en de motivering reeds lang bekend was, zonder dat

iemand bezwaar tegen de beslissing zal hebben.

Het onderhavige artikel is dan ook in de eerste plaats bedoeld voor

begunstigende beschikkingen, waarbij de ingediende aanvraag wordt toegewezen,

zodat gedaagdes standpunt op gespannen voet met deze wettelijke bepaling

staat en derhalve niet kan worden onderschreven.

In artikel 4:16 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te berusten

op een deugdelijke motivering. Ingevolge artikel 4:17, lid 1 van de Awb dient

de motivering bij de bekendmaking van de beschikking te worden vermeld. Op

deze hoofdregel vormt het derde lid van artikel 4:17 een uitzondering door te

bepalen dat, indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet

aanstonds bij de bekendmaking van de beschikking kan worden vermeld, het

bestuursorgaan deze zo spoedig mogelijk verstrekt. Naar het oordeel van de

Raad heeft deze situatie van spoedeisendheid zich in het onderhavige geval

niet voorgedaan, aangezien appellante, zoals uit het eerder overwogene

blijkt, op 15 augustus 1995 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige

heeft bezocht en zij eerst met ingang van 4 september 1995 hersteld verklaard

werd. De hersteldverklaring is mitsdien op een zodanige termijn gesteld, dat

voldoende tijd voor het opnemen van een deugdelijke motivering in het te

nemen besluit heeft opengestaan.

De Raad is verder van oordeel dat het besluit, zoals het voorligt, gelet op

de omstandigheden van het onderhavige geval niet voldoet aan de eis van

artikel 4:17, lid 1 van de Awb.

De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat aan het dienstverband van

appellante medio april 1995 een einde was gekomen, waarna aan haar een

werkloosheidsuitkering is toegekend, en dat appellante, zoals zij ter zitting

van de Raad heeft toegelicht, na haar hersteldverklaring niet meer bij haar

oude werkgever kon terugkeren. In deze situatie is volgens constante

jurisprudentie van de Raad voor de maatstaf arbeid bepalend het laatstelijk

door de betrokkene verrichte werk, zij het bij een andere werkgever en zonder

dat de aan dat werk verbonden (zeer) specifieke werkomstandigheden daarbij in

aanmerking worden genomen. In de kennisgeving van het bestreden besluit is

aan dit aspect geen aandacht geschonken. Naar het oordeel van de Raad is bij

de bekendmaking van dat besluit dan ook onvoldoende tot uitdrukking gebracht

voor welke arbeid appellante per 4 september 1995 weer geschikt werd geacht.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens schending van

artikel 4:17, lid 1 van de Awb moet worden vernietigd.

De Raad heeft geen grond aanwezig geacht om het bestreden besluit ondanks de

schending van voormeld voorschrift in stand te laten. Mede gelet op de in

eerste aanleg tegen het bestreden besluit aangevoerde grieven, valt naar het

oordeel van de Raad niet uit te sluiten dat appellante door die schending is

benadeeld, zodat hier aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb geen

toepassing kan worden gegeven.

De Raad heeft verder geen termen aanwezig geacht om met toepassing van

artikel 8:72, lid 3 van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het

bestreden besluit in stand blijven, aangezien de beschikbare medische

gegevens voor dit oordeel onvoldoende zekerheid bieden.

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om op grond van artikel

8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke

zijn begroot op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste

aanleg en op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger

beroep en op f 40,81 als overige kosten, totaal derhalve f 2.880,81.

Van andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten is de Raad niet

gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede het bepaalde in artikel 24 en

25, lid 1 van de Beroepswet stelt de Raad verder vast dat het door appellante

in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagdes

bedrijfsvereniging dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot f

2.880,81, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging aan de griffier van de

Raad.

Verstaat dat gedaagdes bedrijfsvereniging aan appellante het gestorte recht

van f 200,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en

mr Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 1997.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

HD/HL

1301