ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022
public
2020-09-25T12:08:18
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7022
Centrale Raad van Beroep
1997-05-28
95/5293 AAW/WAO, 95/5294 AAW/WAO
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022
public
2020-09-25T12:08:00
2020-09-25
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022 Centrale Raad van Beroep , 28-05-1997 / 95/5293 AAW/WAO, 95/5294 AAW/WAO

Intrekking AAW/WAO-uitkering per 4 mei 1993, gevolgd door hervatting in passend geachte werkzaamheden bij eigen werkgever.

95/5293 AAW/WAO

95/5294 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen

(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.

In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats

getreden van de Bedrijfsvereniging voor de

Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie. In

deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het

bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 15 april 1994 heeft gedaagde appellante

met ingang van 11 maart 1993 in aanmerking gebracht voor

uitkeringen ingevolge de Algemene

Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar

een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Voorts heeft gedaagde bij dit besluit deze uitkeringen

met ingang van 4 mei 1993 ingetrokken op de grond dat

appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum

is afgenomen naar minder dan 15% (besluit I).

Eveneens bij besluit van 15 april 1994 heeft gedaagde

geweigerd om appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en

de WAO met ingang van 7 mei 1993 te heropenen. Gedaagde

heeft daartoe overwogen:

"Uw AAW/WAO-uitkering is door ons per 4 mei 1993

ingetrokken, omdat uw

arbeidsongeschiktheidspercentage afgenomen is naar

minder dan 15%. U hebt zich op 7 mei 1993 opnieuw

arbeidsongeschikt gemeld. Na een onderzoek door de

Gemeenschappelijk Medische Dienst is gebleken dat de

arbeid waarin u op 4 mei 1993 bij uw eigen werkgever

bent hervat, niet passend voor u was. Door uw

werkgever zijn de werkzaamheden niet verder aan uw

belastbaarheid, zoals vastgesteld door de

verzekeringsgeneeskundige in zijn rapportage d.d. 19

januari 1993, aan te passen. Derhalve heeft de

werkgever geen passende arbeid voor u.

Bij onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige van

uw werkgever werden echter geen nieuwe medische

feiten geconstateerd ten opzichte van de situatie op

4 mei 1993. Wij zijn derhalve van mening dat u op en

na 7 mei 1993 ongewijzigd voor minder dan 15%

arbeidsongeschikt bent. Daarom heropenen wij de

uitkering niet." (besluit II).

De arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak

van 16 juni 1995 de namens appellante tegen deze

besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep

ingesteld. Op de gronden, uiteengezet in een aanvullend

beroepschrift van 22 november 1995, is de Raad verzocht

de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Gedaagde heeft op 4 januari 1996 een verweerschrift

ingediend, waarbij de Raad is verzocht de vordering van

appellante af te wijzen en de aangevallen uitspraak te

bevestigen.

Bij brief van 23 december 1996 heeft gedaagde enige

vragen van de fungerend president van de Raad beantwoord.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad,

gehouden op 16 april 1997, waar appellante - zoals

aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich

heeft laten vertegenwoordigen door [X] ,

werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Appellante heeft op 12 maart 1993 haar werkzaamheden als

produktiemedewerkster bij

B.V. X., vestiging Y., wegens rugklachten gestaakt.

In verband daarmee heeft gedaagde appellante over de

maximale periode een uitkering krachtens de Ziektewet

toegekend. Gedurende deze periode heeft appellante, in

overleg met de Verzekeringsgeneeskundige Dienst van haar

werkgever, hervat in voor haar passend geachte

werkzaamheden.

In aansluiting op die periode heeft gedaagde appellante

bij beslissing van 30 maart 1993 met ingang van 11 maart

1993 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de

AAW en de WAO, berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij deze

beslissing werden deze uitkeringen tevens ingetrokken per

4 mei 1993. Aan laatstgenoemde beslissing lag de

opvatting ten grondslag dat appellante weliswaar niet

meer in staat was haar werkzaamheden als

produktiemedewerkster te verrichten, maar nog wel in

staat was de werkzaamheden te verrichten verbonden aan

acht functies, die een arbeidsdeskundige van de

toenmalige Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD) aan

haar had voorgehouden. Deze arbeidsdeskundige heeft op

basis van deze functies vastgesteld dat appellante met

haar beperkingen een inkomen kon verwerven dat nagenoeg

gelijk was aan het inkomen dat zij in haar zogeheten

maatvrouwarbeid verdiende.

Op 4 mei 1993 heeft appellante bij haar werkgever hervat

in passend geachte werkzaamheden. Zij heeft deze

werkzaamheden op 7 mei 1993 wegens rugklachten moeten

staken. De verzekeringsgeneeskundige van appellantes

werkgever heeft, blijkens het rapport van een

verzekeringsgeneeskundige van de GMD van 26 mei 1993, bij

onderzoek geen nieuwe medische feiten geconstateerd en

haar arbeidsongeschiktheid vervolgens niet geaccepteerd.

Deze conclusie is, blijkens de in rubriek I vermelde

brief van 23 december 1996, op 11 mei 1993 telefonisch

met een verzekeringsgeneeskundige van de GMD besproken.

Bij beslissing van 18 juni 1993 heeft gedaagde vervolgens

geweigerd appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de

WAO met ingang van 7 mei 1993 te heropenen.

Appellante heeft tegen gedaagdes beslissingen van

30 maart 1993 en 18 juni 1993 beroep aangetekend bij de

rechtbank te Breda.

Bij uitspraak van 22 december 1993 heeft deze rechtbank

overwogen dat er onvoldoende grond aanwezig was om de

medische grondslag van de beslissing van 30 maart 1993

niet te volgen, doch dat deze beslissing niettemin voor

vernietiging in aanmerking kwam omdat gedaagde

onvoldoende had gemotiveerd dat de aan appellante

voorgehouden functies passend waren. In het voetspoor van

deze uitspraak vernietigde de rechtbank bij uitspraak van

14 februari 1994 eveneens gedaagdes beslissing van

18 juni 1993.

Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze

uitspraken. Ter uitvoering van deze uitspraken heeft een

verzekeringsgeneeskundige van de GMD nader gemotiveerd

dat de belasting in de aan appellante voorgehouden

functies in overeenstemming was met haar belastbaarheid.

Vervolgens heeft gedaagde de bestreden besluiten van

15 april 1994 genomen.

De rechtbank te Breda heeft de beroepen tegen deze

besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond

verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar

belastbaarheid niet correct is vastgesteld, dat de haar

voorgehouden voorbeeldfuncties te zwaar zijn en dat zij

niet gekeurd is door een onpartijdige arts.

Ter zitting van de Raad heeft gedaagdes gemachtigde zich

op het standpunt gesteld dat de medische grondslag van

besluit I niet in geding is aangezien de rechtbank te

Breda bij zijn uitspraak van 22 december 1993 reeds op

dit punt heeft beslist en deze uitspraak kracht van

gewijsde heeft verkregen.

In deze gedingen dienen de vragen te worden beantwoord of

gedaagde appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de

WAO bij besluit I terecht met ingang van 4 mei 1993 heeft

ingetrokken en of gedaagde bij besluit II terecht

geweigerd heeft deze uitkeringen met ingang van 7 mei

1993 te heropenen.

Aangaande besluit I overweegt de Raad in de eerste plaats

dat hij geen aanknopingspunten heeft gevonden om het

oordeel van de rechtbank, dat gedaagde ten aanzien van

appellante niet te geringe medische beperkingen heeft

vastgesteld, voor onjuist te houden. De Raad kan zich

verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft

overwogen. De Raad overweegt daarbij dat appellante niet

aannemelijk heeft gemaakt dat haar belastbaarheid door

gedaagde niet juist is vastgesteld. De Raad heeft om die

reden ook geen aanleiding gezien om een nader onderzoek

door een deskundige te laten verrichten.

De Raad zal aan het door gedaagde ter zitting van de Raad

ingenomen standpunt voorbijgaan aangezien dit standpunt

noch in eerste aanleg, noch bij verweerschrift naar voren

is gebracht en de rechtbank zich wel over de medische

grondslag van besluit I heeft uitgesproken, terwijl

gedaagdes belang bij de honorering van dit standpunt

gering is. De Raad wijst er daarbij op dat de medische

grondslag van besluit II zonder meer wel in geding is en

de in geding zijnde datum van dat besluit zeer dicht ligt

bij de datum waarop besluit I betrekking heeft.

De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de

rechtbank dat de belasting in zes van de acht aan

appellante voorgehouden functies in overeenstemming moet

worden geacht met haar belastbaarheid. Gedaagde heeft

deze functies dan ook in aanmerking kunnen nemen bij de

bepaling van appellantes resterende verdiencapaciteit.

Aangezien appellante in deze functies een zodanig inkomen

kan verdienen dat er ten opzichte van haar zogeheten

maatvrouwinkomen sprake is van een inkomensverlies van

minder dan 15%, heeft gedaagde haar uitkeringen ingevolge

de AAW en de WAO met ingang van 4 mei 1994 terecht

ingetrokken.

Ten aanzien van besluit II overweegt de Raad als volgt.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

bepaalt dat een bestuursorgaan, zoals gedaagde, bij de

voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart

omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ter zake van appellantes melding van

arbeidsongeschiktheid op 7 mei 1993 heeft gedaagde zich

uitsluitend verlaten op de telefonisch verstrekte

informatie van de Verzekeringsgeneeskundige Dienst van

appellantes werkgever en heeft de

verzekeringsgeneeskundige van de GMD appellante niet zelf

onderzocht. De Raad is van oordeel dat gedaagde

dusdoende, gelet op de omstandigheden van het onderhavige

geval, gehandeld heeft in overeenstemming met voormelde

wetsbepaling. De Raad wijst er daarbij op dat de

Verzekeringsgeneeskundige Dienst uitvoerig bekend was met

appellantes ziektegeval en haar beperkingen en

voortdurend, vanaf juli 1992, betrokken is geweest bij de

begeleiding van appellante naar een passende werkplek.

Voorts is niet gebleken dat appellante met deze Dienst

van mening verschilde omtrent haar (on)geschiktheid voor

de laatstelijk door haar verrichte werkzaamheden en

evenmin dat appellante heeft gesteld dat haar beperkingen

ten tijde van haar melding op 7 mei 1993 waren

toegenomen.

De Raad is dan ook van oordeel dat de

verzekeringsgeneeskundige van de GMD, bij wie appellante

uitvoerig bekend was, zich mocht baseren op de informatie

die hem vanwege de Verzekeringsgeneeskundige Dienst was

verstrekt en heeft kunnen oordelen dat een eigen medisch

onderzoek niet nodig was om kennis omtrent de relevante

feiten te vergaren.

De Raad kan zich voorts verenigen met hetgeen de

rechtbank ten aanzien van besluit II heeft overwogen.

De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde bij

besluit II terecht geweigerd heeft om appellantes

uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 7 mei 1993

te heropenen.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak

voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om

toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van

de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en

mr A. Beuker-Tilstra en mr G. van der Wiel als leden, in

tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 1997.

(get.) C.G.L. Plomp.

(get.) P.W.A. van Geloven.