ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7043
public
2015-06-08T23:57:25
2013-04-08
Raad voor de Rechtspraak
ZB7043
Centrale Raad van Beroep
1997-05-01
96/2809 AW
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Rechtspraak.nl
TAR 1997/138
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7043
public
2014-09-09T13:57:45
2014-09-09
Raad voor de Rechtspraak
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7043 Centrale Raad van Beroep , 01-05-1997 / 96/2809 AW

Bij voorwaardelijk strafontslag gestelde voorwaarde dat betrokkene zich niet schuldig zal maken aan soortgelijk of enig ander plichtsverzuim is gericht op toekomstig handelen van ambtenaar. In verband met alcoholverbruik tijdens diensttijd was door het administratief orgaan besloten betrokkene bij wijze van disciplinaire maatregel de straf van voorwaardelijk ontslag op te leggen. Ten tijde van de uitreiking van dit besluit onder diensttijd werd wederom geconstateerd dat betrokkene onder invloed van alcohol was met als gevolg dat het administratief orgaan tot tenuitvoeringlegging van voormelde straf overging. Ten onrechte naar het oordeel van de Raad. De bij een voorwaardelijk strafontslag gestelde voorwaarde dat de betrokken ambtenaar zich niet schuldig zal maken aan een soortgelijk of enig ander plichtsverzuim is gericht op toekomstig handelen van de ambtenaar. Beoogd wordt dat deze, onder dreiging van ontslag, meerbedoeld plichtsverzuim achterwege laat. Daarvan was in casu geen sprake.

96/2809 AW O

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Zuid-Holland-Zuid,

gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te Dordrecht op 9 februari 1996 onder

nr. AWB 94/1343 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt

verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij diverse brieven nadere

stukken aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 april 1997, waar

appellant is verschenen bij gemachtigde T.H. ten Wolde,

medewerkster individuele belangenbehartiging bij de Algemene

Christelijke Politiebond CNV. Gedaagde heeft zich laten

vertegenwoordigen door E.A.C. Sankalla, werkzaam bij de

politieregio Zuid-Holland-Zuid.

II. MOTIVERING

Appellant is in 1972 in dienst getreden bij de voormalige

meldkamer van de Rijkspolitie district [district]; na een

heupoperatie in 1988 is hij in 1989 gedeeltelijk afgekeurd en

nadien voor 50% blijven werken. Vanaf begin 80-er jaren heeft

bij appellant een drankprobleem gespeeld; vaak ging het lange

tijd goed, waarna een terugval plaatsvond. Van omstreeks eind

1988 tot 1993 had appellant het alcoholprobleem in de

werksituatie onder controle.

Op 13 november 1993 is geconstateerd dat appellant onder

invloed van alcohol was tijdens zijn dienstverrichting. Bij

brief van 4 maart 1994 heeft appellant terzake een

waarschuwing gehad van de korpschef.

Op 19 maart 1994 heeft appellant zich ziek gemeld, waarbij

bleek dat dit te wijten was aan overmatig alcoholgebruik.

Dit heeft geleid tot gedaagdes besluit van 14 april 1994,

waarbij appellant schuldig is bevonden aan ernstig

plichtsverzuim en hem met toepassing van artikel 77, eerste

lid, onder i, van het Besluit algemene rechtspositie politie

(Barp) de straf van ontslag uit zijn functie van medewerker

meldkamer is opgelegd. Daarbij is bepaald dat die straf niet

ten uitvoer zal worden gelegd, indien appellant zich tot 1 mei

1996 niet schuldig zou maken aan soortgelijk plichtsverzuim,

noch aan enig ander plichtsverzuim.

Het besluit van 14 april 1994 is door de chef van de meldkamer

op 20 april 1994 om 23.00 uur tijdens appellants dienst op de

meldkamer aan appellant uitgereikt. Aansluitend aan die

uitreiking is door de chef geconstateerd dat appellant onder

invloed van alcohol verkeerde.

Bij besluit van 1 juli 1994 heeft gedaagde geconstateerd dat

appellant zich op 20 april 1994 opnieuw schuldig heeft gemaakt

aan ernstig plichtsverzuim en meegedeeld appellant "te

straffen met ongevraagd ontslag uit zijn functie van

medewerker meldkamer van politie Zuid-Holland-Zuid, per 14

april 1994, zulks met tenuitvoerlegging per 1 juli 1994".

Bij beslissing op bezwaar van 16 september 1994 is - met

dezelfde bewoordingen als hiervoor weergegeven - het besluit

van 1 juli 1994 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants

beroep ongegrond verklaard.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat

in het onderhavige geval sprake was van een samenloop van

omstandigheden: het tijdens de avonddienst op 20 april 1994

uitreiken van het besluit van 14 april 1994, waarbij appellant

de straf van voorwaardelijk ontslag werd opgelegd, en de

constatering tijdens diezelfde avonddienst van nieuw

plichtsverzuim, te weten het onder invloed van alcohol dienst

verrichten.

De gemachtigde van gedaagde heeft - desgevraagd - ter zitting

verklaard dat met gedaagdes besluit van 16 september 1994,

waarbij appellant is gestraft met ongevraagd ontslag per 14

april 1994 met tenuitvoerlegging per 1 juli 1994, zeker niet

is bedoeld terzake van het op 20 april 1994 geconstateerde

plichtsverzuim een nieuw besluit, inhoudende de straf van

onvoorwaardelijk ontslag, te nemen. De gemachtigde heeft

toegelicht dat met het besluit van 1 juli 1994 en de

beslissing op bezwaar van 16 september 1994 is beoogd de in

het besluit van 14 april 1994 opgelegde voorwaardelijke straf

van ontslag tenuitvoer te leggen.

De Raad overweegt het volgende.

Zoals de Raad al eerder te kennen heeft gegeven in zijn

uitspraak van 16 april 1991 (TAR 1991, 125) is de bij een

voorwaardelijk strafontslag als dat van 14 april 1994 gestelde

voorwaarde dat de betrokken ambtenaar zich niet schuldig zal

maken aan soortgelijk of enig ander (relevant) plichtsverzuim

naar haar bewoordingen, aard en strekking gericht op

toekomstig handelen van die ambtenaar. Beoogd wordt dat deze,

onder de dreiging van ontslag, meerbedoeld plichtsverzuim

achterwege zal laten.

In aanmerking genomen dat bij appellant aansluitend aan de

uitreiking van het besluit van 14 april 1994 op 20 april 1994

geconstateerde invloed van alcohol tijdens werktijd het gevolg

was van voordien, vóór de uitreiking van laatstbedoeld

besluit, genuttigde alcolholhoudende drank, kan naar het

oordeel van de Raad van het bij appellant op 20 april 1994

geconstateerd onder invloed verkeren niet worden gezegd dat

sprake is van een door appellant na de bekendmaking van het

besluit van 14 april 1994 gepleegd soortgelijk dan wel ander

relevant plichtsverzuim als bedoeld in het besluit van 14

april 1994.

Gelet op het vorenoverwogene kan naar 's Raads oordeel niet

worden gezegd dat aan de voorwaarde voor het ten uitvoer

leggen van het aan appellant bij besluit van 14 april 1994

opgelegde voorwaardelijk strafontslag is voldaan, zodat

gedaagde niet bevoegd was om uitvoering te geven aan dat

besluit.

Anders dan gedaagde en de rechtbank ziet de Raad aan het

voorgaande niet afdoen dat appellant reeds eerder, onder meer

in hogervermelde brief van 4 maart 1994, was gewaarschuwd dat

een herhaling van de constatering van een tijdens werktijd

onder invloed van alcohol verkeren zou kunnen leiden tot

ontslag. Nu gedaagde nadien heeft besloten tot het ter zake

van geconstateerd alcoholgebruik opleggen van een

voorwaardelijk strafontslag, komt aan evenbedoelde

waarschuwing naar de opvatting van de Raad in casu geen

afzonderlijke betekenis meer toe.

Het vorenstaande houdt in dat het besluit van 16 september

1994 niet in stand kan blijven. De Raad heeft in casu tevens

aanleiding gezien om het primaire besluit van 1 juli 1994 met

toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet

bestuursrecht eveneens te vernietigen.

Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om met

toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant, welke zijn

begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand

in eerste aanleg en op f 1.420,- als zodanige kosten in hoger

beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt

het bestreden besluit;

Vernietigt gedaagdes primaire besluit van 1 juli 1994;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in

eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot f

2.840,-, te betalen door de politieregio Zuid-Holland-Zuid;

Bepaalt dat de politieregio Zuid-Holland-Zuid aan appellant de

door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde

griffierechten van f 500,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr

Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in

tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 1 mei 1997.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.H. Beijer.

HD

22.04